Heeft u een AutoCAD vraag?

Voordat je een vraag plaatst altijd eerst even de zoek functie gebruiken!

Ga naar het onderwerp en stel uw vraag onderaan de pagina.

2D-entiteit
Tweedimensionale, ingesloten oppervlakten met fysieke eigenschappen zoals middelpunten of massazwaartepunten. U kunt 2D-entiteiten van objecten maken die gesloten lussen vormen. Ze worden meestal gemaakt om arcering en inkleuring toe te passen. (REGION)

3D-aanzicht
Elk aanzicht waarin het UCS-pictogram in gerenderde, gekleurde vorm wordt weergegeven; actieve visuele stijl is niet 2D Wireframe, en het model wordt vanuit een isometrisch aanzicht bekeken.

3D-meshelement
Basis-meshvormen zoals dozen, kegels, cilinders, piramiden, wiggen, bollen en torussen.

3Dconnexion
Een set navigatietools waarmee de huidige weergave van een model opnieuw kan worden uitgelijnd met behulp van een 3Dconnexion-apparaat.

aangepast object
Een type object dat is gemaakt in een ObjectARX-toepassing en doorgaans meer gespecialiseerde voorzieningen biedt dan standaardobjecten. Aangepaste objecten zijn bijvoorbeeld parametrische volumen (AutoCAD Mechanical Desktop), intelligent-interactieve deursymbolen (AutoCAD Architecture), polygoonobjecten (AutoCAD Map 3D) en objecten met associatieve bematingen (AutoCAD en AutoCAD LT). Zie ook proxy-object en Object Enabler

aangepaste grips
In een dynamische blokreferentie worden ze gebruikt om de geometrie en aangepaste eigenschappen te manipuleren.

aangrenzende celselectie
Een selectie van tabelcellen die ten minste één grens met een andere cel in dezelfde selectie delen.

aanpassingsbestand (CUI)
Een XML-bestand dat aanpassingsgegevens opslaat. U wijzigt een aanpassingsbestand via het dialoogvenster Customize User Interface. CUI-bestanden vervangen MNU-, MNS- en MNC-bestanden die gebruikt zijn om menu's te definiëren in eerdere releases.

aanpassingsbestand van onderneming
Een CUI-bestand dat meestal geregeld wordt door een CAD-manager. Het wordt vaak geopend door vele gebruikers en opgeslagen in een gedeelde netwerklocatie. Het bestand is alleen-lezen voor gebruikers om te voorkomen dat de gegevens in het bestand gewijzigd worden. Een CAD-manager maakt een CUI-bestand voor de onderneming door een CUI-hoofdbestand te wijzigen en het bestand vervolgens op te slaan op de ondersteunende locatie die op het tabblad Files van het dialoogvenster Options gedefinieerd is.

aanpassingshoofdbestand
Een schrijfbaar CUI-bestand dat de meeste gebruikersinterface-elementen definieert (zoals de standaardmenu's, werkbalken en sneltoetsen). Het bestand acad.cui (het standaard CUI-hoofdbestand) wordt automatisch geladen wanneer u AutoCAD start.

aantekening
Eén opmerking of rode correctie van de geometrie die in een DWF-bestand ingevoegd is via Autodesk Design Review.

aantekeningenset
Een groep aantekeningen in één DWF-bestand.

aanwijzer
Een aanwijzer op een beeldscherm die kan worden verplaatst om de positie van tekst of afbeeldingen te bepalen. Zie ook kruiscursors.

aanzicht
Een grafische weergave van een model vanaf een bepaalde ruimtelijke locatie (standpunt). Zie ook standpunt en venster. (3DORBIT, VPOINT, DVIEW, VIEW)

aanzichtscategorie
Een benoemde verzameling aanzichten in een set tekenbladen die vaak op functie georganiseerd is. Zie ook subset.

Abonnementcentrum
Abonnementsleden hebben toegang tot de recentste releases van Autodesk-software, tussentijdse productverbeteringen, persoonlijke webondersteuning, en e-Learning in eigen tempo in InfoCenter. Klik op de knop Key op de InfoCenter-werkbalk om het Subscription Center op te roepen.

absolute coördinaten
Coördinaatwaarden die worden gemeten vanaf de oorsprong van een coördinatenstelsel. Zie ook oorsprong, relatieve coördinaten, gebruikerscoördinatenstelsel (UCS), wereldcoördinaten, en wereldcoördinatenstelsel (WCS).

achtervlak
De tegengestelde zijde van een voorvlak. Achtervlakken zijn niet zichtbaar in een gerenderde afbeelding. Zie ook voorvlakken.

Actiebalk
Werkbalkachtige gebruikersinterface waarin acties worden weergegeven die aan een parameterobject gekoppeld zijn.

actiemacro
Een reeks opgenomen acties die in de actieve tekening kan worden afgespeeld.

actiemacrobestand
Een bestand waarin alle acties van een actiemacro worden opgeslagen. Actiemacrobestanden hebben de bestandsextensie .actm.

Actiestructuur
Een besturingselement dat wordt gebruikt om de acties die in een actiemacro zijn opgenomen, weer te geven.

actieve magneetmodus (running object snap)
Een objectmagneetmodus instellen zodat deze voor alle volgende selecties wordt gebruikt. Zie ook objectmagneetmodus en magneetmodus uitschakelen. (OSNAP)

actieve tekening
Een tekeningbestand dat in het programma openstaat, en dat elke opdracht of actie ontvangt die u invoert.

activeren
Deel van het Autodesk-softwareregistratieproces. Hiermee kunt u een product uitvoeren in overeenstemming met de licentieovereenkomst voor eindgebruikers van het product.

adaptieve sampling
Hiermee versnelt u het proces van anti-aliasing binnen de begrenzing van de grootte van de steekproefmatrix. Zie ook anti-aliasing.

adaptieve vermindering
Een methode om prestaties te regelen, waarbij functies in een bepaalde volgorde uitgeschakeld worden wanneer de prestaties onder een specifiek niveau komen.

affiene kalibratie
Een tablet-kalibratiemethode die het mogelijk maakt een willekeurige lineaire omzetting uit te voeren in tweedimensionale ruimte. Affiene kalibratie vereist drie kalibratiepunten om een tabletomzetting mogelijk te maken waarin translatie, onafhankelijke X- en Y-schaal, rotatie en een bepaalde mate van scheeftrekken worden gecombineerd. Gebruik affiene kalibratie als een tekening verschillend is uitgerekt in horizontale of verticale richting. (TABLET)

afhankelijke benoemde objecten (in referentietekeningen)
Benoemde objecten die door een externe verwijzing in een tekening worden gebracht. Zie ook benoemd object en symbolentabel.

afhankelijke symbolen
Zie afhankelijke benoemde objecten (in referentietekeningen).

afhankelijkheidsmarkering
In een dynamische blokdefinitie wordt hiermee bepaald hoe gekoppelde objecten worden weergegeven wanneer u een parameter, grip of bewerking selecteert.

afspelen
Het proces waarbij de acties worden uitgevoerd die in een eerder opgenomen actiemacro zijn opgeslagen.

alfakanaal
Alfa is een gegevenstype dat in 32-bits bitmapbestanden gevonden wordt en transparantie toewijst aan de pixels in de afbeelding.

Een 24-bits bestand met ware kleuren bevat drie kanalen met kleurinformatie: rood, groen en blauw, oftewel RGB. Elk kanaal van een bitmapbestand met ware kleuren wordt gedefinieerd door 8 bits, zodat er 256 intensiteitsniveaus zijn. De intensiteit van elk kanaal bepaalt de kleur van de pixel in de afbeelding. Een RGB-bestand is daarom 24-bits met elk 256 niveaus van rood, groen en blauw.

Wanneer er een vierde alfakanaal wordt toegevoegd, kan het bestand de transparantie, of ondoorzichtigheid, van elk van de pixels specificeren. Een alfawaarde van 0 is transparant, een alfawaarde van 255 is ondoorzichtig, en waarden daartussen zijn semitransparant. Een RGBA-bestand (rood, groen, blauw, alfa) is 32-bits, waarbij de extra 8 bits van alfa 256 transparantieniveaus bieden.

Als u een gerenderde afbeelding met alfa wilt uitvoeren, slaat u deze in een alfa-compatibele indeling zoals PNG, TIFF of Targa op.

algemeen oppervlak
Een 3D-oppervlakobject zonder stuurhoekpunten, geschiedenis of analytische informatie. Algemene oppervlakken kunnen niet associatief zijn. Ze worden gemaakt wanneer associatieve analytische oppervlakken gescheiden worden, of via de opdracht BREP. Zie ook procedureoppervlak en NURBS-oppervlak.

algemene eigenschap
Eigenschappen die de objecten van een selectie delen, zoals Color, Layer, Linetype, Linetype scale, Plot style, Lineweight, Hyperlink en Thickness.

alias
Een snelkoppeling voor een opdracht. Bijvoorbeeld: CP is een alias voor COPY en Z is een alias voor ZOOM. U definieert aliassen in het bestand acad.pgp.

aliassen
Het uitlijnen van afzonderlijke beeldelementen, of pixels, als een rechte of gebogen rand op vaste rasterpunten waardoor de elementen er gerafeld of trapvormig uitzien. Zie ook anti-aliasing.

annotatief
Een eigenschap voor objecten die vaak gebruikt worden om tekeningen te annoteren. Met deze eigenschap kunt u het proces van annotatieschaling automatiseren. Annotatieve objecten worden met een papierhoogte gedefinieerd, en worden in layout-vensters en werkvlakken weergegeven, waarbij de grootte wordt bepaald door de annotatieschaal die voor deze ruimten is ingesteld.

annotaties
Tekst, bematingen, toleranties, symbolen, notities en andere typen verklarende symbolen of objecten die gebruikt worden om informatie aan uw model toe te voegen.

annotatieschaal
Een instelling die wordt opgeslagen met werkvlakken, layout-vensters en modelweergaven. Wanneer u annotatieve objecten maakt, worden ze op basis van de actieve annotatieschaalinstelling geschaald en automatisch met de juiste grootte weergegeven.

anoniem blok
Een naamloos blok dat is gemaakt door een aantal voorzieningen, zoals associatieve en niet-associatieve bematingen.

anti-aliasing
Een methode waarmee het aliasing-effect wordt verminderd door de pixels die grenzen aan de pixels van een lijn of omtrek, aan te passen zodat er een minder groot contrast ontstaat tussen de lijn of omtrek en de omgeving. Zie ook aliassen.

associatieve arceringen
Arcering die automatisch wordt aangepast aan de omlijningsobjecten. Het wijzigen van een omlijningsobject heeft dus als resultaat dat de bijbehorende arcering eveneens wordt aangepast. (BHATCH)

associatieve bemating
Een bemating die automatisch wordt aangepast wanneer de bijbehorende geometrie wordt gewijzigd. Deze waarde wordt ingesteld met de systeemvariabele DIMASSOC. Zie ook niet-associatieve bemating en opgesplitste bemating.

associatieve oppervlakken
Associatieve oppervlakken passen automatisch hun locatie en vorm aan wanneer u de geometrische objecten wijzigt die eraan zijn gekoppeld. Ze worden bestuurd door de systeemvariabele SURFACEASSOCIATIVITY.

attribuutaanduiding
Een tekenreeks die is gekoppeld aan een attribuut en die een bepaald attribuut aangeeft terwijl het wordt opgehaald uit de database met tekeningen. Zie ook attribuutdefinitie, attribuutprompt en attribuutwaarde.

attribuutdefinitie
Een object dat deel uitmaakt van een blokdefinitie en waarin alfanumerieke gegevens kunnen worden opgeslagen. Attribuutwaarden kunnen vooraf worden gedefinieerd of worden opgegeven wanneer het blok wordt ingevoegd. Attribuutgegevens kunnen worden opgehaald uit een tekening en worden ingevoegd in externe bestanden. (ATTDEF)

attribuutextractiebestand
Een tekstbestand waarin opgehaalde attribuutgegevens worden opgeslagen. De inhoud en de indeling van het bestand worden bepaald door het sjabloonbestand voor attribuutextractie. Zie ook sjabloonbestand voor attribuutextractie.

attribuutprompt
De tekenreeks die wordt weergegeven wanneer u een blok invoegt waarvan de attribuutwaarde niet is gedefinieerd. Zie ook attribuutdefinitie, attribuutaanduiding en attribuutwaarde.

attribuutwaarde
De alfanumerieke gegevens die zijn gekoppeld aan een attribuutaanduiding. Zie ook attribuutdefinitie, attribuutprompt en attribuutaanduiding.

AutoCAD-venster
Het tekengebied, inclusief de weergegeven menu's en de opdrachtregel.

B-spline kromme
Een gelijkmatige, uit delen opgebouwde polynome kromme die langs een opgegeven set met stuurpunten loopt. Zie ook Bezier-kromme. (SPLINE)

Ballon bij eerste gebruik
De interactieve grafische knopinfo die wordt weergegeven wanneer het SteeringWheel tijdens het opstarten wordt vastgezet.

basisknopinfo
Geeft een korte beschrijving voor de knopinfo weer.

basislijn
Een denkbeeldige lijn waarop teksttekens lijken te rusten. Staartletters strekken zich uit tot onder de basislijn. Zie ook basislijnbemating.

basislijnbemating
Meerdere bematingen die vanaf dezelfde basislijn worden gemeten. Deze bematingen worden ook wel parallelbematingen genoemd. Zie ook basislijn.

basispunt
1. In de context van bewerkingsgrips is dit de grip die na selectie een effen kleur krijgt om de focus aan te geven van de volgende bewerking. 2. Een punt voor relatieve afstand en hoek bij het kopiëren, verplaatsen en roteren van objecten. 3. De invoegbasispositie in de huidige tekening. (BASE) 4. De invoegbasispositie voor een blokdefinitie. (BLOCK)

basisvolume
Een basisvolumevorm. Basisvolumen zijn onder meer: zesvlak, wig, kegel, cilinder, bol, torus en piramide.

basiswielen
Een verwijzing naar de wielen voor objectweergave en gebouwrondleiding.

Beginaanzicht
Een speciaal aanzicht dat met de tekening wordt opgeslagen en door de ViewCube-tool wordt bepaald. Het beginaanzicht is conceptueel vergelijkbaar met het standaardbeginaanzicht dat wordt weergegeven wanneer een tekening voor het eerst wordt geopend.

beginomgeving
De variabelen en instellingen voor nieuwe tekeningen zoals deze door het standaardtekeningsjabloon gedefinieerd worden, zoals acad.dwg of acadiso.dwg. Zie ook sjabloontekening.

begrensde oppervlakte
Een gesloten oppervlakte die uit één object (zoals een cirkel) bestaat, of uit meerdere coplanaire objecten die elkaar overlappen. U kunt arceeropvullingen in begrensde oppervlakten invoegen.

Begrensde oppervlakten worden ook gebruikt om met de opdracht PRESSPULL 3D-objecten door extrusie te maken.

begrenzingen
Zie tekeningbegrenzingen.

bekleed volume/oppervlak
Een volume of oppervlak dat getekend wordt via een set van twee of meer dwarsdoorsnedekrommen. De doorsneden definiëren het profiel (de vorm) van het resulterende volume of oppervlak. Dwarsdoorsneden (over het algemeen krommen of lijnen) kunnen open of gesloten zijn. (LOFT)

bematingsstijl
Een benoemde reeks bematingsinstellingen die de opmaak van de bemating bepaalt en het instellen van bematingssysteemvariabelen vergemakkelijkt. (DIMSTYLE)

bematingstekst
De afmetingswaarde van bemate objecten.

bematingsvariabelen
Een reeks numerieke waarden, tekenreeksen en instellingen die de werking bepaalt van de bematingseigenschappen. (DIMSTYLE)

benaderingspunten
Puntlocaties die de relatieve positie aangeven voor een B-spline, binnen een ingestelde plaatstolerantie. Zie ook plaatsingspunten en interpolatiepunten.

benoemd aanzicht
Een aanzicht dat onder een bepaalde naam is opgeslagen voor later gebruik. (VIEW)

benoemd bereik
Een tool in Microsoft Excel waarmee u een betekenisvolle naam aan één cel of een cellenbereik kunt toewijzen.

benoemd object
Beschrijft de diverse soorten niet-grafische gegevens, zoals stijlen en definities, die bij een tekening worden opgeslagen. Benoemde objecten zijn onder meer lijntypen, lagen, bematingsstijlen, tekststijlen, blokdefinities, lay-outs, aanzichten en vensterconfiguraties. Benoemde objecten worden in definitietabellen (symbooltabellen) opgeslagen.

benoemd pad
Een opgeslagen bewegingspad dat aan een camera of doel gekoppeld is.

benoemde objecten, afhankelijk
Zie afhankelijke benoemde objecten (in referentietekeningen).

beperking met aantekeningen
Beperking met bematingen die gebruikt wordt om de grootte van de geometrie te bepalen en om de tekening te annoteren.

Zie ook parameterbeperking en dynamische beperking

beperking met bematingen
Parametrische bematingen die de grootte, hoek of positie van geometrie in verhouding tot de tekening of andere objecten. Wanneer bematingen worden gewijzigd, verandert het object in formaat.

beperkingen
Een vorm van parametrisch ontwerp.

Regels die positie, helling, raakpunt, bematingen en relaties van objecten in een geometrie bepalen.

beperkingen verminderen
De mogelijkheid om beperkingen tijdelijk te negeren terwijl u geometrie bewerkt. Nadat de geometrie bewerkt is, kunnen de beperkingen verwijderd of behouden worden, afhankelijk van of de beperking nog geldig is voor de bewerkte geometrie.

beperkingsbalk
Hierin worden de geometrische beperkingen weergegeven waaraan objecten of punten op objecten gekoppeld zijn.

beperkingsmarkering
Punt op een object waarop een geometrische en/of bematingsbeperking kan worden toegepast (bijvoorbeeld een eindpunt of een invoegpunt).

bevriezen
Een bewerking waarbij objecten op de geselecteerde lagen niet worden weergeven. Objecten op bevroren lagen worden niet weergegeven, opnieuw gegenereerd of geplot. Het opnieuw genereren van tekeningen gaat sneller als een of meer lagen zijn bevroren. Zie ook ontdooien. (LAYER)

bewegingspad
Definieert het pad of doel van een camera. Een pad kan een lijn, boog, elliptische boog, cirkel, polylijn, 3D-polylijn of spline zijn.

bewerking
De kleinste taak of gebruikersinteractie die met de Action Recorder kan worden opgenomen.

Bezier-kromme
Een polynome kromme die wordt gedefinieerd door een aantal stuurpunten en die een vergelijking voorstelt van een orde van grootte die één kleiner is dan het aantal desbetreffende punten. Een Bezier-kromme is een speciaal soort B-spline kromme. Zie ook B-spline kromme.

bitmap
De digitale weergave van een afbeelding, waarbij bits zijn toegewezen aan pixels. In kleurenafbeeldingen wordt een verschillende waarde gebruikt voor elke rode, groene en blauwe component van een pixel.

blips
Tijdelijke schermmarkeringen die worden weergegeven in het tekengebied wanneer u een punt opgeeft of objecten selecteert. (BLIPMODE)

block instance
Zie blokreferentie.

blok
Een algemene term voor een of meer objecten die worden samengevoegd om één object te vormen. Met blok wordt vaak verwezen naar een blokdefinitie of blokverwijzing. Zie ook blokdefinitie en blokreferentie. (BLOCK)

blok voor bijschrift
Een blok dat gebruikt wordt om naar een ander tekenblad te verwijzen. Blokken voor bijschriften hebben vele industriespecifieke termen zoals reverence tags, detail keys, detail markers enzovoort. Zie ook blok voor labels.

blok voor label
Een blok dat gebruikt wordt om aanzichten en details te labelen. Labels bevatten gegevens, zoals een titel, aanzichtnummer en schaal, die aan het verwezen aanzicht gekoppeld zijn. Zie ook blok voor bijschrift.

blokactie
Definieert hoe de geometrie van een dynamische blokreferentie verplaatst of gewijzigd wordt wanneer de aangepaste eigenschappen van een blokreferentie in een tekening gemanipuleerd worden. Een dynamisch blok bevat gewoonlijk ten minste één bewerking die aan een parameter gekoppeld is. (BACTION)

blokdefinitie
De naam, het basispunt en de set met objecten die worden samengevoegd en opgeslagen in de symbolentabel van een tekening. Zie ook blok en blokreferentie.

blokdefinitietabel
Het niet-grafische gegevensgebied van een tekeningbestand waarin blokdefinities worden opgeslagen. Zie ook benoemd object.

blokeigenschappentabel
Een tabel waarin gebruikers verschillende waarden kunnen opgeven van een set eigenschappen voor de blokdefinitie. Vervanging voor lookup-eigenschappen in de toekomst.

blokontwerpobject
Een beperking met bematingen, een parameter of een actie die informatie toevoegt aan een blokdefinitie.

blokontwerppaletten
Toolpaletten die in de Block Editor gebruikt worden om acties en parameters aan dynamische blokdefinities toe te voegen.

blokontwerptools
Acties, parameters en parametersets op de tabbladen van het venster Block Authoring Palettes. Gebruikt in de Block Editor om dynamische blokken te maken.

blokverwijzing
Een samengesteld object dat wordt ingevoegd in een tekening en dat de gegevens bevat die zijn opgeslagen in een blokdefinitie. Ook wel exemplaar genoemd. Zie ook blok en blokdefinitie. (INSERT)

bolling
De hoeveelheid kromming op het punt waar twee oppervlakken samenkomen. Dit geldt alleen voor oppervlakken met G1- of G2-continuïteit.

bolling
Zie bolling.

bovenaanzicht
Een standpunt vanaf een punt op de positieve Z-as in de richting van de oorsprong (0,0,0). (PLAN)

breking
Hoe licht door een object wordt vervormd.

BYBLOCK
Een speciale objecteigenschap waarmee kan worden aangegeven dat het object de kleur of het lijntype moet krijgen van het blok waarin het object is opgenomen. Zie ook BYLAYER.

BYLAYER
Een speciale objecteigenschap waarmee kan worden aangegeven dat het object de kleur of het lijntype moet krijgen van de objectlaag. Zie ook
BYBLOCK.

camera
Definieert de actieve ooghoogtepositie in een 3D-model. Een camera heeft een XYZ-locatiecoördinaat, een XYZ-doelcoördinaat en een perspectief- of lenslengte, die de vergroting of zoomfactor bepaalt.

cameradoel
Hier kunt u opgeven welk punt u bekijkt door de coördinaat in het midden van het aanzicht te specificeren.

candela
De SI-eenheid van lichtsterkte (waargenomen sterkte die door een lichtbron in een bepaalde richting wordt uitgestraald) (symbool: cd). Cd/Sr

categorie
Zie aanzichtcategorie.

cel
De kleinste beschikbare tabelselectie.

celkader
De vier rasterlijnen om een tabelcel. Een aangrenzende celselectie kan door een celkader omgeven zijn.

celstijl
Een stijl die specifieke opmaak voor tabelcellen bevat.

circulair aangeroepen referentiebestand
Een referentietekening (xref) die direct of indirect naar zichzelf verwijst. De referentietekening die de cirkelconditie maakt, wordt genegeerd.

CMYK
Acroniem voor Cyan, Magenta, Yellow en Key color. Een systeem voor het definiëren van kleuren door percentages op te geven voor cyaan, magenta, geel en de hoofdkleur, meestal zwart.

Contextueel linttabblad
Een linttabblad dat alleen wordt weergegeven wanneer een bepaald type object of een een bepaalde opdracht wordt uitgevoerd. Wanneer bijvoorbeeld een arcering of tabel wordt geselecteerd of de mtext-opdracht wordt uitgevoerd, verschijnt het bijbehorende contextuele menu.

continuïteit
Continuïteit bepaalt hoe vloeiend twee krommen of oppervlakken in elkaar overlopen op het punt waar ze samenkomen. Continuïteit wordt uitgedrukt in G0-Position, G1-Tangency en G2-Curvature.

  • G0 (Position): de krommen of oppervlakken komen op dezelfde locatie samen (alleen positie); ze raken elkaar. Maar de raaklijn en kromming komen niet overeen.
  • G1 (Tangent): de positie en raaklijn van de oppervlakken komen overeen. Er is dan sprake van G1-continuiïteit (positie + raaklijn) tussen de oppervlakken.
  • G2 (Curvature): de positie, raaklijn en kromming van de oppervlakken komen overeen. Er is dan sprake van G2-continuiïteit (positie + raaklijn + kromming) tussen de twee oppervlakken.

controlekader
Een reeks puntlocaties waarmee de vorm van een B-spline kan worden bepaald. Deze punten zijn door verschillende lijnsegmenten met elkaar verbonden om zo de vorm van de B-spline aan te geven en om het controlekader te onderscheiden van plaatsingspunten. Controlekaders kunnen alleen worden weergegeven en verborgen als de opdrachten CVSHOW en CVHIDE zijn ingeschakeld.

controlekader voor eigenschappen (feature control frame)
De tolerantie voor bepaalde elementen of patronen van elementen. Controlekaders voor eigenschappen bevatten altijd minimaal één geometrisch tolerantiesymbool om de tolerantiesoort aan te geven en een tolerantiewaarde om de acceptabele afwijking aan te geven.

Coons-strook
Bij driedimensionale oppervlakmeshes is dit het bikubische oppervlak (één gekromd in de M-richting en één in de N-richting) dat tussen vier randen is geïnterpoleerd.

coördinaatfilters
Functies waarmee u afzonderlijke X-, Y- en Z-coördinaatwaarden kunt ophalen van verschillende punten om zo een nieuw, samengesteld punt te maken. Worden ook X-, Y-, Z-puntfilters genoemd.

CTB-bestand
Een kleurafhankelijke plotstijltabel.

ctrl-cycle
Methode waarmee u verschillende gedragingen kunt doorlopen terwijl u geometrie bewerkt, in een opdracht of tijdens het verslepen van grips. U doorloopt het gedrag door de Ctrl-toets in te drukken en los te laten. Bij beperkte geometrie schakelt Ctrl-cycle tussen het afdwingen en verminderen van beperkingen.

cursor
Zie aanwijzer en kruiscursors.

cursormenu
Zie snelmenu.

CV-omhulsel
Een NURBS-oppervlak wordt bewerkt via het omhulsel van stuurhoekpunten (CV's). Het bestaat uit de stuurhoekpunten en de lijnen die ze verbinden in de U- en V-richting. Het omhulsel bevindt zich buiten (niet op) het oppervlak). NURBS-krommen hebben geen CV-omhulsel, maar alleen stuurhoekpunten.

decimale graden
Een notatie waarmee de breedtegraad en lengtegraad opgegeven kunnen worden, bijvoorbeeld 35.1234°, 100.5678°.

De breedtegraad staat altijd vóór de lengtegraad.

definitiepunten
Punten voor het maken van een bemating. Het programma verwijst naar deze punten om het uiterlijk en de waarde van een niet-associatieve bemating te wijzigen wanneer het bemate object wordt gewijzigd. Ook wel defpoints genoemd. Worden opgeslagen op de speciale laag DEFPOINTS.

definitietabel
Het niet-grafische gegevensgebied van een tekeningbestand waarin blokdefinities worden opgeslagen.

DGN-underlay
Zie underlay.

diabestand
Een bestand met een rasterafbeelding of momentopname van de objecten die in het tekengebied zijn weergegeven. Diabestanden hebben de extensie .sld. (MSLIDE, VSLIDE)

diabibliotheek
Een verzameling diabestanden die zo zijn geordend dat ze gemakkelijk kunnen worden opgehaald en weergegeven. Bestanden met diabibliotheken hebben de extensie .slb en worden gemaakt met het hulpprogramma slidelib.exe.

DIESEL
Acroniem voor Direct Interpretively Evaluated String Expression Language. Een macrotaal voor het aanpassen van de statusregel met de systeemvariabele MODEMACRO en voor het aanpassen van menu-opties.

diffuse kleur
De hoofdkleur van een object.

dikte
De afstand waarover bepaalde objecten worden geëxtrudeerd om ze een 3D-aanzicht te geven. (PROPERTIES, CHPROP, ELEV, THICKNESS)

directe invoer van afstand
Een methode voor het opgeven van een tweede punt waarbij eerst de cursor wordt verplaatst om de richting aan te geven en vervolgens een afstand wordt ingevoerd.

doorschijnendheid
Hoe licht door een object heen wordt verspreid.

draadconstructiemodel
De weergave van een object waarbij de omtrek van het object wordt aangegeven met lijnen en krommen.

drieassenstelsel
Pictogram met X-, Y- en Z-coördinaten, dat wordt gebruikt om het standpunt (weergaverichting) van een tekening te visualiseren zonder deze weer te geven. (VPOINT)

DSD
Voor DSD-bestanden (Drawing Set Descriptions). Een bestandsindeling voor het opslaan van een beschrijving van een tekeningenset die verzameld is via het dialoogvenster Publish.

DST
Voor gegevens uit tekeningensets. De XML-bestandsindeling voor het opslaan van de koppelingen en gegevens die een tekeningenset definiëren.

dwarsdoorsneden
Over het algemeen krommen of lijnen die het profiel (de vorm) van een bekleed volume of oppervlak definiëren. Dwarsdoorsneden kunnen open of gesloten zijn. In de ruimte tussen de dwarsdoorsneden wordt een bekleed volume of oppervlak getekend. (LOFT)

DWF
DWF is een open, gepubliceerde en beveiligde bestandsindeling die is ontwikkeld door Autodesk. U kunt hiermee rijke 2D- en 3D-ontwerpgegevens combineren en publiceren en delen met anderen.

DWF-underlay
Zie underlay.

DWFx
Een versie van DWF gebaseerd op de XML Paper Specification (XPS) van Microsoft. Met DWFx kunnen DWF-bestanden worden bekeken met de gratis Microsoft XPS Viewer. Algemeen naar verwezen als DWF.

DWG
Standaardbestandsindeling voor het opslaan van vectorafbeeldingen. Zie ook DWF en DXF.

DXF
Acroniem voor Drawing Interchange Format. Een ASCII-bestandsindeling of binaire bestandsindeling van een tekeningbestand voor het exporteren van tekeningen naar andere toepassingen of het importeren van tekeningen uit andere toepassingen. Zie ook DWF en DWG.

dynamische bemating
Tijdelijke bematingen op objecten, waaronder dynamische blokreferenties wanneer de grips versleept worden.

dynamische beperking
Een beperking met bematingen (eigenschap van de beperkingsvorm = "dynamic") die de beperkingen alleen weergeeft wanneer u het beperkte object selecteert.

Zie ook: parameterbeperking

Zie ook: beperking met aantekeningen

effen inkleuren
Het bijwerken van de randen tussen polygoonvlakken.

eiland
Een ingesloten gebied binnen een ander ingesloten gebied. Eilanden worden mogelijk gedetecteerd tijdens het maken van arceringen, polylijnen en 2D-entiteiten. (BHATCH, BOUNDARY)

elektronische tekeningenset
Het digitale equivalent van een set geplotte tekeningen. U kunt een elektronische tekeningenset maken door tekeningen in een DWF-bestand te publiceren.

elementair
Basis-3D-vormen zoals dozen, kegels, cilinders, piramiden, wiggen, bollen en torussen. U kunt elementaire meshes en 3D-volumeobjecten maken.

extrusie
Een 3D-volume dat het resultaat is van het lineair draaien van een object dat een gebied omsluit.

facet
De onderliggende structuur van het vlak van een 3D-volume, -oppervlak of -mesh. Facetten kunnen vierhoekig of driehoekig zijn. Wanneer u een mesh-object vloeiend maakt, neemt het aantal facetten voor elk vlak toe.

filters
Zie coördinaatfilters.

Final Gather
Final Gather is een optionele, extra stap voor het berekenen van globale verlichting. Het gebruik van een fotonkaart om globale verlichting te berekenen, kan leiden tot renderobjecten, zoals donkere hoeken en laagfrequente variaties in de belichting. U kunt deze objecten reduceren of elimineren door Final Gather in te schakelen, zodat het aantal stralen voor het berekenen van globale verlichting verhoogd wordt.

Final Gather kan de rendertijd aanzienlijk verlengen. Het is vooral nuttig voor scènes met algehele diffuse belichting, en minder nuttig voor scènes met heldere punten van indirecte verlichting.

U schakelt Final Gather in op het palet Advanced Render Settings. Zie ook globale verlichting.

fotometrische lichten
Fotometrische lichten zijn technisch juiste lichten. Technisch juiste lichten nemen met het kwadraat van de afstand af. Fotometrie is de wetenschap van de meting van zichtbaar licht in termen van de waargenomen helderheid.

fotonkaart
Een techniek om de indirecte verlichtingseffecten te genereren van globale verlichting die door de renderer gebruikt wordt. Bij het berekenen van de indirecte verlichting traceert de renderer fotons die door een licht uitgestraald worden. Het foton wordt via het model getraceerd doordat het door objecten gereflecteerd of overgedragen wordt, totdat het een diffuus oppervlak raakt. Wanneer het foton een oppervlak raakt, wordt het in de fotonkaart opgeslagen.

fotorealistisch renderen
Een rendering die lijkt op een foto.

frame
Een afzonderlijke, statische afbeelding in een geanimeerde reeks. Zie ook bewegingspad.

G0-continuïteit
Zie Verklarende woordenlijst.

G1-continuïteit
Zie Verklarende woordenlijst.

G2-continuïteit
Zie Verklarende woordenlijst.

gebruikerscoördinatenstelsel (UCS)
Een door de gebruiker gedefinieerd coördinatenstelsel dat de richting definieert van de X-, Y- en Z-as in 3D-ruimte. Het UCS bepaalt de standaardpositie van geometrische modellen in een tekening. Zie ook wereldcoördinatenstelsel (WCS).

gebruikersinvoer verzoeken
Een item dat is toegewezen aan een actieknooppunt waarmee het afspelen van een actiemacro gepauzeerd wordt, zodat een gebruiker iets kan invoeren voordat het afspelen wordt hervat.

gebruikersparameter
Benoemde, door de gebruiker gedefinieerde variabelen (geheel getal of expressie) die gebruikt kunnen worden in expressies voor beperkingen met bematingen of andere gebruikersparameters.

gedeeltelijk aanpassingsbestand
Elk CUI-bestand dat niet als het CUI-hoofdbestand is gedefinieerd. U kunt gedeeltelijke CUI-bestanden laden en afsluiten wanneer u ze nodig hebt in een tekensessie.

gegevenskoppeling
Een verbinding tussen een tabel en een externe bron met gegevens.

gekromd
Een vloeiende kromme die bestaat uit bogen die elk paar hoekpunten met elkaar verbinden. De kromme loopt door alle hoekpunten van de polylijn met de opgegeven raaklijnrichting.

geleidekrommen
Lijnen of krommen die elke dwarsdoorsnede van een bekleed volume of vlak snijden, en die de vorm definiëren door extra draadmodelinformatie aan het object toe te voegen. (LOFT)

geografische markering
Visuele representatie van geografische locatie-informatie.

geografische verhoging
De relatieve hoogte langs de opgegeven opwaartse richting voor een geografische markering.

geometrie
Alle grafische objecten, zoals lijnen, cirkels, bogen, polylijnen en bematingen. Niet-grafische objecten als lijntypen, lijndikten, tekststijlen en lagen worden niet als geometrie beschouwd. Zie ook benoemd object.

geometrische beperking
Regels die de geometrische verhoudingen van objecten (of punten van objecten) definiëren en bepalen hoe een object in vorm en grootte kan veranderen.

Geometrische beperkingen zijn samenvallend, collineair, concentrisch, gelijk, vast, horizontaal, parallel, loodrecht, rakend en verticaal.

gerangschikte vensters
Zie modelvensters.

geschiedenis van volume
Een eigenschap van een volume waarmee u de oorspronkelijke vormen van het volume kunt bekijken en wijzigen.

gesplitst vlak
Een mesh-vlak dat langs een gespecificeerde vector is onderverdeeld.

gestuurd volume/oppervlak
Een volume of oppervlak dat in de vorm van het gespecificeerde profiel (het gestuurde object) langs het gespecificeerde pad gestuurd wordt. (SWEEP)

gestuurde beperking
Een niet-parametrische bemating tussen haakjes waarin de huidige waarde van de geometrie wordt weergegeven. De waarde wordt bijgewerkt wanneer de geometrie in grootte verandert, maar heeft geen controle over de geometrie.

gizmo
Een tool waarmee u een 3D-object gelijkmatig of langs een opgegeven as of vlak kunt manipuleren. Voorbeelden van gizmo's zijn 3D Move, 3D Rotate en 3D Scale. Ze worden weergegeven wanneer u een 3D-object selecteert.

globale verlichting
Een indirecte verlichtingstechniek waardoor effecten zoals kleuruitloop mogelijk zijn. Wanneer licht een gekleurd object in het model raakt, kaatsen fotons op aangrenzende objecten en geven ze deze de kleur van het oorspronkelijke object.

Gooch-inkleuring
Een type inkleuring dat een overgang van koele naar warme kleuren gebruikt in plaats van donkere naar lichte.

graad
Een wiskundige eigenschap van een kromme of oppervlak waarmee wordt bepaald hoeveel stuurhoekpunten per spanne voor modellering beschikbaar zijn.

Hoe hoger de graad, des te meer stuurhoekpunten en des te complexer de vorm. Maar het gebruik wordt hierdoor ook moeilijker, aangezien elk stuurhoekpunt nog steeds van invloed is op de hele kromme.

grafisch gebied
Zie tekengebied.

grafisch venster
Zie AutoCAD LT-venster en tekengebied.

gripmodi
De bewerkingsmogelijkheden die geactiveerd worden wanneer er grips weergegeven worden op een object: uitrekken, verplaatsen, roteren, schalen en spiegelen.

grips
Kleine vierkantjes en driehoekjes die verschijnen op geselecteerde objecten. Het selecteren van een grip maakt het mogelijk het object te bewerken door te slepen met de aanwijzer in plaats van opdrachten in te voeren.

griptool
Een pictogram dat in een 3D-aanzicht gebruikt wordt, waarmee de verplaatsing of rotatie van een selectieset objecten gemakkelijk tot een as of een vlak beperkt kan worden. (3DMOVE, 3DROTATE)

grondvlak
Het XY-vlak van het gebruikerscoördinatenstelsel wanneer perspectiefprojectie ingeschakeld is. Het grondvlak wordt weergegeven met een kleurverloop tussen de grondhorizon (het dichtst bij de horizon) en de grondoorsprong (tegenover de horizon). Zie ook lucht en onder de grond.

grote wielen
De grote versie van de SteeringWheels. Op elk wielsegment wordt een label weergegeven, en ze zijn groter dan de cursor.

haaklijn
Het deel van een verwijslijnobject dat als aanwijzer dient voor het object dat als bijschrift gebruikt wordt. Een haaklijn kan een rechte lijn of een spline-kromme zijn.

haaklijnruimte
Een optionele ruimte tussen een verwijslijnstaart en de verwijslijninhoud.

handle
Een unieke alfanumerieke aanduiding voor een object in de database van het programma.

HDI
Acroniem voor Heidi Device Interface. Dit is een interface voor het ontwikkelen van stuurprogramma's die vereist zijn om randapparatuur met het programma en andere Autodesk-producten te laten werken.

heads-up display (HUD)
Het proces waarbij gebruikersinterface-elementen transparant op of over het tekengebied worden weergegeven, zonder de objecten te verbergen die in het tekengebied worden getekend.

helderheid
Helderheid is de waarde van licht dat van een oppervlak gereflecteerd wordt. Helderheid is een meting van hoe licht of donker we het oppervlak waarnemen.

helix
Een open 2D- of 3D-spiraal. (HELIX)

Help-menu
De oude manier om de online-Help op te roepen. In de huidige versie van AutoCAD kunt u de Help vinden op de InfoCenter-werkbalk of door op F1 te drukken.

HLS
Acroniem voor hue, lightness en saturation. Een systeem waarbij kleuren worden gedefinieerd door de hoeveelheid tint, lichtheid en verzadiging op te geven.

hoekbemating
Een bemating voor het meten van hoeken of boogsegmenten die bestaat uit tekst, extensielijnen en verwijslijnen. (DIMANGULAR)

hoekeenheid
De maateenheid voor een hoek. Hoekeenheden kunnen worden gemeten in decimale graden, graden/minuten/seconden, gradiënten en radialen.

hoekpunt
Een locatie waarop randen of segmenten van polylijnen bij elkaar komen.

hoofdpunt
In een dynamische blokdefinitie is dit het punt op een parameter dat zijn gekoppelde bewerking uitvoert bij bewerking in de blokreferentie.

hoogte
De standaard Z-waarde boven of onder het XY-vlak van het huidige gebruikerscoördinatenstelsel (UCS). Deze waarde wordt gebruikt voor het invoeren van coördinaten en het digitaliseren van locaties. (ELEV)

hoogte-breedteverhouding
De verhouding tussen de weergavebreedte en -hoogte.

horizontaal lint
Het lint wanneer het langs de bovenkant van het bestandsvenster wordt weergegeven.

horizontale haaklijn
Een optioneel lijnstuk dat de staart van een verwijslijn met de verwijslijninhoud verbindt.

hulpvlak
Zie werkvlak.

i-drop
Een methode die het mogelijk maakt een tekeningbestand van een webpagina te slepen en in een andere tekening in te voegen.

IGES
Acroniem voor Initial Graphics Exchange Specification. Een standaardindeling voor digitale weergave en uitwisseling van gegevens tussen CAD/CAM-systemen. In AutoCAD-producten zijn de opdrachten voor het importeren en exporteren van IGES-bestanden alleen beschikbaar in AutoCAD Mechanical.

indirecte reliëfschaal
Hiermee wordt het effect geschaald van de reliëfprojectie van het basismateriaal in gebieden die door indirect licht worden verlicht.

indirecte verlichting
Verlichtingstechnieken zoals globale verlichting en Final Gather, die het realisme van een scène verbeteren door lichtverdeling te simuleren, of de interreflectie van licht tussen objecten in een scène.

inhoudsopgave voor set tekenbladen
Een inhoudsopgave waarin alle tekenbladen in een set tekenbladen vermeld worden. Een dergelijke inhoudsopgave kan automatisch gegenereerd worden met de Sheet Set Manager.

insluiten
Gegevens voor het koppelen en insluiten van objecten (OLE) uit een brondocument gebruiken in een doeldocument. Een ingesloten object is een kopie van de gegevens uit een brondocument die in het doeldocument wordt gezet en geen koppeling heeft naar het brondocument. Zie ook koppelen.

interface-element
Een gebruikersinterfaceobject dat aangepast kan worden, zoals een werkbalk, vervolgkeuzemenu, sneltoets en verankerbaar venster.

interpolatiepunten
De definitiepunten voor een B-spline. Zie ook benaderingspunten en plaatsingspunten.

invoereigenschap
In een dynamische blokdefinitie is dit een andere parametereigenschap dan die van een lookup-, uitlijnings- of basispuntparameter, die u als kolom kunt toevoegen aan een lookup-tabel. Wanneer de parameterwaarden in een dynamische blokreferentie overeenkomen met een rij invoereigenschapswaarden, worden de bijbehorende lookup-eigenschapswaarden in die tabelrij toegewezen aan de blokreferentie. (BLOOKUPTABLE)

ISO
Acroniem voor International Standards Organization. De organisatie die internationale normen opstelt voor alle vakgebieden, uitgezonderd voor elektrotechniek en elektronica. Het hoofdkantoor van het ISO bevindt zich in Genève, Zwitserland.

isolijn
Rasterlijnen die op reguliere en NURBS-oppervlakken worden weergegeven. Hiermee wordt de vorm van het oppervlak aangegeven.

isometrisch magnetisch raster
Een tekenoptie waarmee de cursor wordt uitgelijnd met twee of drie isometrische assen en waarmee een raster wordt weergegeven om het maken van isometrische 2D-tekeningen te vereenvoudigen.

isoparm
Lijnen met constante U- of V-waarden die langs een NURBS-oppervlak lopen. Hiermee wordt de vorm van het oppervlak aangegeven, zoals die is gedefinieerd door de stuurhoekpunten.

kettingbemating
Een soort lengtebemating waarbij de oorsprong van de tweede extensielijn van een geselecteerde bemating als de oorsprong van de eerste extensielijn wordt gebruikt om zo één lange bemating op te delen in kortere segmenten die samen de totale bemating vormen. Deze bemating wordt ook wel kettingbemating genoemd. (DIMCONTINUE)

kettingbewerkingen
In een dynamische blokdefinitie is dit een eigenschap van lineaire, polaire, punt-, XY- en rotatieparameters. Wanneer deze optie op Yes is ingesteld en er een wijziging wordt aangebracht in een bewerking die de parameter in de selectie van de bewerking bevat, worden alle bewerkingen die aan die parameter gekoppeld zijn, ook uitgevoerd, net alsof u de parameter in de blokreferentie via een grip of aangepaste eigenschap had bewerkt.

kleine wielen
De kleine versie van de SteeringWheels. Op geen van de segmenten worden labels weergegeven, en ze zijn vaak net zo groot als de cursor.

kleurenschema
Een tabel die de intensiteit van rood, groen en blauw (RGB) bepaalt voor elke weergegeven kleur.

knoop
De instelling voor knoopparameterisering beïnvloedt de vorm van een benaderingspunt-spline. De verschillende instellingen zijn van invloed op de vorm van de kromme wanneer deze door de benaderingspunten loopt.

knooppunt
Een specificatie van het magnetisch raster voor het lokaliseren van punten, definitiepunten voor bematingen en de oorsprong van bematingstekst.

knopinfo
Een vakje met tekst dat een object of interface-element identificeert of uitlegt wanneer de cursor er vlakbij of erover zweeft.

knopmenu
Het menu voor een aanwijzer met verschillende knoppen. Elke knop op de aanwijzer (behalve de selectieknop) kan in het aanpassingsbestand (acad.cui) worden gedefinieerd.

kolom
Een verticaal aangrenzende tabelcelselectie die de hoogte van de tabel omspant. Eén kolom is één cel breed.

kompas
Een visueel hulpmiddel dat in het actieve model de richtingen noord, zuid, oost en west aangeeft.

koppelen
Verwijzen naar gegevens in een ander bestand met behulp van het koppelen en insluiten van objecten (OLE). Als gegevens zijn gekoppeld, worden wijzigingen in de gegevens in het brondocument automatisch doorgevoerd in de gegevens in een doeldocument. Zie ook insluiten.

kruiscursor
Een soort cursor die bestaat uit twee lijnen die elkaar snijden.

laag
Een logische groepering van gegevens, vergelijkbaar met het over elkaar heen leggen van tekenvellen. U kunt lagen afzonderlijk of in combinatie weergeven. (LAYER)

laagindex
Een lijst die de objecten op elke laag weergeeft. Wanneer u een tekening gedeeltelijk opent, wordt er een laagindex gebruikt om uit te vinden welk deel van de tekening ingelezen wordt. Als u een laagindex bij een tekening opslaat, verbetert u ook de prestatie wanneer u met externe verwijzingen werkt. De systeemvariabele INDEXCTL bepaalt welke ruimtelijke en laagindexen met een tekening worden opgeslagen.

lay-out
De omgeving waarin u papierkader-layoutvensters maakt en ontwerpt die u wilt plotten. Voor elke tekening kunnen meerdere lay-outs worden gemaakt.

lay-outvensters
Objecten die in het papierkader worden weergegeven om verschillende aanzichten tegelijkertijd zichtbaar te maken. Zie ook papierkader. (VPORTS)

lege selectieset
Een selectieset die geen objecten bevat.

lenslengte
Hier kunt u de vergrotingseigenschappen van een cameralens definiëren. Hoe hoger de lenslengte, hoe smaller het perspectief.

lettertype
Een tekenset, bestaande uit letters, cijfers, leestekens en symbolen, met een kenmerkende grootte en opmaak.

lichtafname
Het afnemen van de lichtsterkte naarmate de afstand tot het te verlichten object groter wordt.

lichten
Dit verwijst naar de verzameling van een lamp of lampen en de fitting. De fitting kan een eenvoudige houder of een complexe armatuur met beperkte verbindingen zijn.

lichtstroom
De waargenomen sterkte per eenheid van een hoekvolume. De totale lichtstroom voor een lamp is de waargenomen sterkte die in alle richtingen uitgestraald wordt.

lichtsymbool
De grafische weergave van een punt- of spotlight.

lijn-lettertype
Zie lijntype.

lijndikte
Een breedtewaarde die aan alle grafische objecten kan worden toegewezen, behalve TrueType®-lettertypen en rasterafbeeldingen.

lijntype
Bepaalt de manier waarop een lijn of kromme wordt weergegeven. Een ononderbroken lijn heeft bijvoorbeeld een ander lijntype dan een streepjeslijn. Wordt ook lijn-lettertype genoemd. (LINETYPE)

limits
Zie tekengrenzen.

lint
Een palet met knoppen en besturingselementen die worden gebruikt voor tekenen en annoteren in 2D, evenals modelleren, weergeven en renderen in 3D. Zie ook linttab en lintpaneel en uitschuifpaneel. (RIBBON)

lintpaneel
Een reeks gelabelde knoppen die bij een taak horen en in een lint gegroepeerd zijn. Meerdere lintpanelen die bij één werkstroom horen, zijn gegroepeerd onder één linttablad.

linttabblad
Hoogste niveau van lintgroepering, op basis van een actie. Een linttabblad bevat groepen met meerdere lintpanelen die elk bij één werkstroom horen. Een lintpaneel bevat knoppen en besturingselementen die relevant zijn voor een taak.

LL84-coördinatenstelstel
Algemeen coördinatenstelsel gebaseerd op breedte- en lengtegraden, waarbij zowel de breedte- als de lengtegraad van -90 t/m 90 graden wordt gemeten.

De lengtegraad begint bij 0 graden op de nulmeridiaan in Greenwich ( Engeland) en wordt gemeten van -180 t/m 180.

De breedtegraad is 0 graden op de evenaar en wordt gemeten van -90 t/m 90.

loodlijn
Een loodlijn is een vector die de richting definieert waarin een vlak gekeerd is. De richting van de loodlijn geeft de voorkant, of buitenkant van het vlak aan.

lookup-eigenschap
In een dynamische blokdefinitie is dit een lookup-parameter die u aan een lookup-tabel toevoegt. De lookup-parameterlabel wordt gebruikt als de eigenschapsnaam. Wanneer de parameterwaarden in een dynamische blokreferentie overeenkomen met een rij invoereigenschapswaarden, worden de bijbehorende lookup-eigenschapswaarden in die tabelrij aan de blokreferentie toegewezen. (BLOOKUPTABLE)

lookup-tabel
Definieert eigenschappen voor en wijst eigenschapswaarden toe aan een dynamische blok. Wijst eigenschapswaarden toe aan de dynamische blokreferentie, gebaseerd op hoe het blok gemanipuleerd wordt in een tekening. (BLOOKUPTABLE)

lucht
De achtergrondkleur van het tekengebied wanneer perspectiefprojectie ingeschakeld is. De lucht wordt weergegeven met een kleurverloop tussen de luchthorizon (het dichtst bij de horizon) en de luchtzenit (tegenover de horizon). Zie ook grondvlak.

lumen
De SI-eenheid voor de lichtstroom (symbool: lm). Cd * Sr

lux
De SI-eenheid voor de verlichtingssterkte (symbool: lx). Lm/m^2

maatlijnboog
Een boog (meestal met pijlen aan de uiteinden) ter omsluiting van de hoek die wordt gevormd door de extensielijnen van de gemeten hoek. De bematingstekst bij een dergelijke boog splitst de boog soms in twee gedeelten. Zie ook angular-bemating.

macro-afgeleide selectie
Een selectieset van alle objecten die zijn gemaakt tijdens het afspelen van een actiemacro tot de opdracht die een selectieset aanvraagt.

magneetmodus
Een functie waarmee een aanwijzer automatisch wordt uitgelijnd op een onzichtbaar rechthoekig raster. Als de magneetmodus actief is, worden de kruiscursor en alle ingevoerde coördinaten automatisch uitgelijnd op het dichtstbijzijnde punt op het raster. De resolutie van het magnetische raster bepaalt de afstand tussen de rasterpunten. Zie ook objectmagneetmodus. (SNAP)

magneetmodus uitschakelen
Het uitschakelen of wijzigen van de magneetmodus voor het invoeren van een bepaald punt. Zie ook objectmagneetmodus en magneetmodus uitvoeren.

magneetrotatiehoek
De hoek waaronder het magnetisch raster wordt geroteerd.

magnetisch raster
Het onzichtbare raster waarop de cursor automatisch wordt uitgelijnd op basis van de rasterafstand die is ingesteld met de opdracht Snap. Het magnetische raster hoeft niet per se overeen te komen met het zichtbare raster, dat u afzonderlijk kunt instellen met de opdracht GRID. (SNAP)

matrix
1. Meerdere exemplaren van geselecteerde objecten in een rechthoekig of polair (radiaal) patroon. (ARRAY) 2. Een verzameling gegevensitems die elk worden aangegeven met een subscript of sleutel en die zo zijn geordend dat een computer de verzameling kan analyseren en gegevens aan de hand van de sleutel kan ophalen.

mesh
Een geruit, of onderverdeeld, objecttype dat door vlakken, randen en hoekpunten wordt gedefinieerd. Mesh kan vloeiend worden gemaakt voor een rondere weergave, en kan worden geplooid om noklijnen te introduceren. Vóór AutoCAD 2010 waren alleen de minder bewerkbare veelhoek- en veelvlak-mesh beschikbaar.

model
Een twee- of driedimensionale weergave van een object.

modelvensters
Een weergave waarin het tekengebied wordt opgedeeld in een of meer rechthoekige weergavegebieden. Zie ook layout-vensters, TILEMODE, en venster. (VPORTS)

modus
Een software-instelling of bewerkingsstatus.

multi-sheet DWF
Een DWF-bestand met meerdere bladen.

Een verwijslijnobject dat annotaties met meerdere verwijslijnen maakt.

navigatiebalk
Navigatietools die door meerdere Autodesk-programma's gebruikt worden. De gemeenschappelijke navigatietools omvatten Autodesk® ViewCube®, SteeringWheels®, ShowMotion® en 3Dconnexion®.

niet volledig beperkte geometrie
Objecten met een onopgeloste mate van vrijheid zijn nog niet volledig beperkt.

niet-associatieve bemating
Een bemating die niet automatisch wordt aangepast wanneer de bijbehorende geometrie wordt gewijzigd. Deze waarde wordt ingesteld met de systeemvariabele DIMASSOC. Zie ook associatieve bemating en opgesplitste bemating.

niveau van vloeiendheid
De eigenschap die aan een mesh-object is toegewezen om te bepalen hoe vloeiend de randen van het object worden gemaakt. Niveau 0 (nul) geeft de minst geronde vorm voor een opgegeven mesh-object aan. Hogere niveaus resulteren in meer vloeiendheid.

noun/verb selection (optie)
Als u deze optie inschakelt, kunt u eerst een object selecteren en vervolgens een bewerking op het object uitvoeren in plaats van eerst een opdracht in te voeren en dan een object te selecteren.

NURBS
Acroniem voor nonuniform rational B-spline curve. Een B-spline kromme of oppervlak dat wordt gedefinieerd door een reeks gewogen stuurpunten en een of meer knoopvectoren. Zie ook B-spline kromme.

NURBS-oppervlak
Oppervlakken met stuurhoekpunten in de U- en V-richting. NURBS-oppervlakken kunnen niet associatief zijn. Zie ook procedureoppervlak en algemeen oppervlak.

object
Een of meer grafische elementen, zoals tekst, bematingen, lijnen, cirkels of polylijnen, die als één element kunnen worden gemaakt, gemanipuleerd en gewijzigd. Werd vroeger entiteit genoemd.

Object Enabler
Een hulpprogramma dat specifieke weergavefuncties en standaard bewerkingstoegang biedt voor een aangepast object wanneer de ObjectARX-toepassing waarin het aangepaste object is gemaakt, niet beschikbaar is. Zie ook aangepast object en proxy-object.

ObjectARX (AutoCAD Runtime Extension)
Een programmeeromgeving op basis van een gecompileerde taal voor het ontwikkelen van AutoCAD-toepassingen.

Objectmagneetmodus
Methoden voor het selecteren van veel gebruikte punten op een object terwijl u een tekening maakt of bewerkt. Zie ook magneetmodus uitvoeren en magneetmodus uitschakelen.

OLE
Acroniem voor Object Linking and Embedding. Een methode voor het delen van gegevens waarbij gegevens uit een brondocument kunnen worden gekoppeld aan of ingesloten in een doeldocument. Als de gegevens in het doeldocument worden geselecteerd, wordt automatisch de brontoepassing geopend zodat de gegevens kunnen worden bewerkt. Zie ook insluiten en koppelen.

omgekeerde lookup
Voegt een lookup-grip toe aan een dynamische blokreferentie. Wanneer u op deze grip klikt, verschijnt er een vervolgkeuzelijst van de lookup-waarden voor die lookup-eigenschap (kolom in de lookup-tabel). Wanneer u een waarde in de lijst selecteert, worden de bijbehorende invoereigenschapswaarden aan de blokreferentie toegewezen. Afhankelijk van hoe het blok gedefinieerd was, leidt dit meestal tot een wijziging in de geometrie van de blokreferentie. (BLOOKUPTABLE)

omgevingskleur
Een kleur die uitsluitend door omgevingslicht wordt geproduceerd. De omgevingskleur is de kleur van een object waar het in de schaduw staat. Dit is de kleur die door het object gereflecteerd wordt wanneer het door omgevingslicht in plaats van direct licht wordt verlicht.

omgevingslicht
Licht dat alle oppervlakken van een model met dezelfde intensiteit verlicht. Omgevingslicht komt niet uit een bepaalde lichtbron en heeft geen richting. De intensiteit van omgevingslicht blijft altijd gelijk, ongeacht de afstand ten opzichte van het te verlichten object.

omgevingsprojectie
Een bitmap die gebruikt wordt om reflecties in materialen met reflectie-eigenschappen te simuleren. De projectie wordt rond de scène 'gewikkeld' en alle reflecterende objecten tonen het toepasselijke gedeelte van de projectie in de reflecterende delen van het materiaal.

omgevingsvariabele
Een instelling die is opgeslagen in het besturingssysteem en die de werking van een programma bepaalt.

omzettingstoewijzingen van lagen
Toewijzing van een set lagen aan een andere set lagen die standaarden definieert. Deze standaarden bevatten de naam en eigenschappen van lagen. Ook wel laagtoewijzingen genoemd.

onder de grond
Het XY-vlak van het gebruikerscoördinatenstelsel wanneer perspectiefprojectie ingeschakeld is en wanneer het van onder de grond bekeken wordt. De ondergrondse vlak wordt weergegeven met een kleurverloop tussen de aardehorizon (het dichtst bij de horizon) en de aarde-azimut (tegenover de horizon). Zie ook grondvlak en lucht.

onderverdeling
Een verdeling, of ruitpatroon, in een mesh-object. Terwijl een mesh-object vloeiend wordt gemaakt, neemt het aantal onderverdelingen toe.

ondoorzichtigheidsprojectie (opacity map)
De projectie van ondoorzichtige en transparante gebieden op objecten, waardoor het effect wordt verkregen van een volumeoppervlak met gaten of tussenruimten.

oneffenheid
Een waarde die simuleert hoe licht dat een vlak raakt, naar de gebruiker wordt teruggekaatst. Met een hoge waarde voor oneffenheid wordt een niet-glanzend ruw object (schuurpapier/tapijt) gesimuleerd. Met een lage waarde voor oneffenheid wordt een zeer glanzend object (metaal, sommige soorten plastic) gesimuleerd.

ontdooien
Eerder bevroren lagen opnieuw weergeven. Zie ook bevriezen. (LAYER)

oorsprong
Het punt waarop de assen van een coördinatenstelsel elkaar snijden. De oorsprong van een Cartesisch coördinatenstelsel is bijvoorbeeld het punt waar de X-, Y- en Z-assen elkaar snijden (0,0,0).

opdrachtregel
Een tekstgebied dat is gereserveerd voor toetsenbordinvoer, prompts en berichten.

opgeefmarkering
Tijdens het traceren of traceren met objectmagneten verschijnt het tijdelijke plusteken op de plaats van een opgegeven punt.

opgegeven punt
Met betrekking tot de traceermethode of de methode tracking-met-objectmagneten voor het zoeken van een punt, is dit een tussenliggende locatie die als referentie wordt gebruikt.

opgenomen waarde
De invoer die tijdens de opname van een actiemacro wordt vastgelegd voor een subprompt van een opdracht.

opgesplitste bemating
Onafhankelijke objecten die er uitzien als een bemating maar niet zijn gekoppeld aan het bemate object of elkaar. Deze waarde wordt ingesteld met de systeemvariabele DIMASSOC. Zie ook associatieve bemating, niet-associatieve bemating en opsplitsen. (EXPLODE)

opnieuw tekenen
De puntmarkeringen in het huidige venster snel bijwerken of opschonen zonder de tekening bij te werken in de database. Zie ook opnieuw genereren. (REDRAW)

oppervlak
Een oppervlak is een 3D-object in de vorm van een dun omhulsel. Oppervlakken hebben geen massa en inhoud zoals volumen dat hebben. Er zijn 3 soorten oppervlakken: analytische, algemene en NURBS-oppervlakken.

oppervlakassociativiteit
Zie associatieve oppervlakken

oppervlakteloodlijn
Positieve richting die loodrecht op het oppervlak van een object staat.

opsplitsen
Een bewerking waarbij een samengesteld object, zoals een blok, bemating, volume of polylijn, wordt opgedeeld in enkelvoudige objecten. In het geval van een blok blijft de blokdefinitie ongewijzigd. De blokverwijzing wordt vervangen door de inhoud van het blok. Zie ook blok, blokdefinitie, en blokreferentie. (EXPLODE)

opvullen
Een door lijnen of krommen begrensd gebied geheel inkleuren. (FILL)

opwaartse richting
Een vector die aangeeft welke richting omhoog is. Standaard is dit de positieve Z-as (0,0,+1).

De opwaartse en noordelijke richting worden altijd zodanig beperkt dat ze loodrecht op elkaar staan.

Ortho-modus
Een modus waarin alle invoer met een aanwijzer horizontaal of verticaal moet zijn ten opzichte van de huidige magneetrotatiehoek en het gebruikerscoördinatenstelsel (UCS). Zie ook magneetrotatiehoek en gebruikerscoördinatenstelsel (UCS).

orthogonaal
Twee objecten zijn orthogonaal wanneer de schuine zijden of raaklijnen van de objecten loodrecht op het snijpunt staan.

overdrachtsschaal
Verhoogt of verlaagt de hoeveelheid energie die een transparant materiaal naar de scène uitstraalt.

overlappend selectiekader
Een rechthoekig gebied waarmee u objecten kunt selecteren die geheel of gedeeltelijk binnen de grenzen van het gebied vallen.

padkromme
Definieert de richting en lengte waarmee een profielkromme bekleed, gestuurd of geëxtrudeerd wordt om een volume of oppervlak te maken. (SWEEP, LOFT, EXTRUDE)

pagina-instellingen
Een verzameling plotapparaten en andere instellingen die de weergave en indeling van de uiteindelijke uitvoer bepalen. Deze instellingen kunnen gewijzigd en op andere lay-outs toegepast worden.

pannen
Het aanzicht van een tekening wijzigen zonder de zoomfactor aan te passen. Zie ook zoomen. (PAN)

papierkader
Een van de twee primaire ruimtes waarin objecten zich bevinden. Het papierkader gebruikt u om een definitieve indeling te maken voordat u gaat afdrukken of plotten. Het papierkader is dus niet bedoeld voor tekenen of ontwerpen. U ontwerpt het model met het tabblad Model. Zie ook werkvlak en venster. (PSPACE)

parameter
In een dynamische blokdefinitie worden hiermee aangepaste eigenschappen voor het dynamische blok gedefinieerd door posities, afstanden en hoeken voor geometrie in het blok te definiëren.

parameter voor blokbeperking
Een beperking met bematingen waaraan blokontwerpinformatie gekoppeld is.

Zie ook: dynamische beperking

Zie ook: beperking met aantekeningen

parameterset
Een tool op het tabblad Parameter Sets van het venster Block Authoring Palettes, dat een of meer parameters en een of meer gekoppelde bewerkingen aan de dynamische blokdefinitie toevoegt.

parametrisch ontwerp
De mogelijkheid om verhoudingen tussen objecten tot stand te brengen, om de grootte de richting van de geometrie via werkparameters en door de gebruiker gedefinieerde parameters.

parametrische tekening
Een functie in AutoCAD die beperkingen toewijst aan objecten en de afstand, locatie en richting van objecten in verhouding tot andere objecten vaststelt.

pastolerantie
De instelling voor de maximale afstand die een B-spline mag afwijken van de plaatsingspunten waarmee de spline wordt gedefinieerd.

PC2-bestand
Volledig plotterconfiguratiebestand. PC2-bestanden bevatten alle plotinstellingen en apparaatafhankelijke instellingen die zijn opgeslagen in vorige versies. Zie ook PCP-bestand en PC3-bestand.

PC3-bestand
Gedeeltelijk plotterconfiguratiebestand. PC3-bestanden bevatten informatie over plotinstellingen zoals het stuurprogramma en het model van het apparaat, de uitvoerpoort waarop het apparaat is aangesloten, en verschillende apparaatspecifieke instellingen, maar bevatten geen informatie over aangepaste plotterkalibraties of aangepaste papierformaten. Zie ook PMP-bestand, STB-bestand, en CTB-bestand.

PCP-bestand
Gedeeltelijk plotterconfiguratiebestand. PCP-bestanden bevatten basisplotspecificaties en penparameters die in vroegere versies zijn opgeslagen. Enkele plotinstellingen die in een PCP-bestand zijn opgeslagen: pentoewijzingen, ploteenheden, papierformaat, plotrotatie, plotoorsprong, schaalfactor en penoptimaliseringsniveau. Zie ook PC2-bestand en PC3-bestand.

periodiek oppervlak
Een vloeiend, gesloten oppervlak zoals een cilinder. Aangezien de stuurhoekpunten het object niet raken, blijft het oppervlak vloeiend en ontstaan er geen knikken wanneer de vorm gewijzigd wordt. Zie ook vast oppervlak.

periodieke kromme
Een vloeiende, gesloten kromme zoals een cirkel. Aangezien de stuurhoekpunten het object niet raken, blijft de kromme vloeiend en ontstaan er geen knikken wanneer de vorm gewijzigd wordt. Zie ook vaste kromme.

personalisatie
Past het programmabestand tijdens de installatie aan met de gebruikersnaam, het bedrijf en andere informatie.

perspectiefaanzicht
Objecten in 3D, gezien door een observeerder die zich bij het venster bevindt en naar het midden van het aanzicht kijkt. Objecten worden kleiner weergegeven als de afstand van de observeerder (bij het gezichtspunt) tot het midden van het aanzicht toeneemt. Hoewel een perspectiefaanzicht realistisch aandoet, blijven de vormen van objecten hierbij niet behouden. Parallelle lijnen lijken in het aanzicht te convergeren. Het programma heeft instellingen voor perspectiefaanzichten voor zowel VPORTS-tabelitems als vensterobjecten.

pijlpunt
Een afsluitteken, zoals een pijlpunt, een schuine streep of stip, aan het eind van een maatlijn die aangeeft waar een bemating begint en eindigt.

plaatsingspunten
De punten waardoor een B-spline exact of binnen de ingestelde pastolerantie moet lopen. Zie ook interpolatiepunten en benaderingspunten.

planair oppervlak
Een plat oppervlak dat zich overal in 3D-ruimte kan bevinden. (PLANESURF)

planair vlak
Een plat vlak dat zich overal in 3D-ruimte kan bevinden.

planaire projectie
Het projecteren van objecten of afbeeldingen op een vlak.

pline
Zie polylijn.

plooi
Een scherpe noklijn die een of meer randen van een subobject van een mesh-vlak definieert. (MESHCREASE)

plotstijl
Een objecteigenschap die een set vervangingswaarden specificeert voor kleur, rastering, grijstinten, pentoewijzingen, schermvoorbeelden, lijntypen, lijndikten, eindstijlen, samenvoegingsstijlen en opvulstijlen. Plotstijlen worden tijdens het plotten toegepast.

plotstijltabel
Een set plotstijlen. Plotstijlen worden in plotstijltabellen gedefinieerd en zijn alleen op objecten van toepassing als de plotstijltabel aan een lay-out of venster is gekoppeld.

plug-ins
Plug-ins zijn bibliotheken met herbruikbare inhoud, die de functionaliteit van AutoCAD uitbreiden. Plug-ins worden gemaakt door ontwikkelaars van derden en kunnen opgeroepen worden via het kanaal Featured Technologies and Content van het Communications Center.

PMP-bestand
Plotmodelparameter. Bestand dat aangepaste plotterkalibratie en aangepaste gegevens over papiergrootte bevat die aan het plotterconfiguratiebestand zijn gekoppeld.

Polaire magneet
Een nauwkeurige tekenfunctie waarmee u naar incrementele afstanden langs het polaire traceeruitlijningspad springt. Zie ook Verklarende woordenlijst.

polaire tracking
Een nauwkeurige tekenfunctie waarmee u tijdelijke uitlijningspaden weergeeft die zijn gedefinieerd door polaire hoeken die door de gebruiker zijn opgegeven. Zie ook polaire magneet.

polylijn
Een object dat is samengesteld uit een of meer met elkaar verbonden lijnsegmenten of cirkelvormige bogen die als één object worden behandeld. Ook wel samengestelde lijn genoemd. (PLINE, PEDIT)

polyvolume
Een gestuurd volume dat op dezelfde manier getekend wordt als een polylijn, of dat op een bestaande lijn gebaseerd is. Een polyvolume heeft standaard een rechthoekig profiel. U kunt de hoogte en breedte van het profiel opgeven. (POLYVOLUME)

poolmatrix
Objecten die een opgegeven aantal keren zijn gekopieerd rond een opgegeven hartpunt. (ARRAY)

preselectieset
Een set objecten die wordt gedefinieerd voordat een actiemacro wordt uitgevoerd.

prestatieafstemming
Een methode om de prestaties van 3D-afbeeldingen te optimaliseren. De prestatietuner bestudeert uw grafische kaart en 3D-beeldschermstuurprogramma, en kiest voor software- of hardware-implementatie bij functies die beide ondersteunen.

primair tabelfragment
Het fragment van een gescheiden tabel dat de eerste set rijen tot de eerste tabelscheiding bevat.

procedurematerialen
Materialen die een 3D-patroon genereren in twee of meer kleuren en deze toepassen op een object. Voorbeelden van deze materialen zijn marmer en hout. Wordt ook sjabloonmaterialen genoemd.

procedureoppervlak
Een 3D-oppervlakobject met geschiedenis en analytische informatie, maar geen stuurhoekpunten. Een procedureoppervlak is het enige type oppervlak dat associatief kan zijn. Zie ook algemeen oppervlak en NURBS-oppervlak.

profielkromme
Een object dat gestuurd, geëxtrudeerd of gedraaid is, en dat de vorm van het resulterende volume of oppervlak definieert. (SWEEP, EXTRUDE, REVOLVE)

prompt
Een bericht op de opdrachtregel of in knopinfo met de vraag gegevens in te voeren of een bepaalde bewerking uit te voeren, zoals het opgeven van een punt.

proxy-object
Een vervanging voor een aangepast object wanneer de ObjectARX-toepassing waarin het aangepaste object is gemaakt, niet beschikbaar is. Zie ook aangepast object en Object Enabler.

punaise
Er staat een punaise op het lint en in het toepassingsmenu. Punaises op het lint worden gebruikt om het lint uitgevouwen te houden. In het toepassingsmenu zorgen punaises ervoor dat een item in de lijst van recentelijk geopende items blijft staan.

punt
1. Een locatie in driedimensionale ruimte, gespecificeerd door X-, Y- en Z-coördinaten. 2. Een object dat bestaat uit één coördinaatlocatie. (POINT)

punten aanklikken
Het aanklikken en verkrijgen van een punt op een object in de tekening.

puntfilters
Zie coördinaatfilters.

PWT
Een sjabloonbestandsindeling voor het publiceren van tekeningen op het web.

Quick View-afbeelding
Een miniatuurafbeelding van een tekening, lay-out of werkvlak die/dat met Quick View-tools wordt weergegeven.

Quick View-tool
Een tool waarmee u tussen geopende tekeningen en lay-outs in een tekening kunt schakelen, en voorbeelden ervan kunt bekijken.

rand
De begrenzing van een vlak.

randwijzigingen
Effecten zoals overhang en jitter die bepalen hoe randen worden weergegeven in een ingekleurd model.

raster
Een regelmatig patroon van punten of lijnen dat dient als tool bij het tekenen. De rasterafstand is aanpasbaar. De rasterpunten worden nooit geplot. Zie ook rastergrenzen. (GRID)

rasterbegrenzingen
De door de gebruiker gedefinieerde rechthoekige omtrek van het tekengebied. In de omtrek worden stippen weergegeven als het raster is ingeschakeld. Worden ook wel tekeningbegrenzingen genoemd. (LIMITS)

rastering
Het combineren van kleurstippen om zo de indruk te wekken dat meer kleuren worden weergegeven dan er in werkelijkheid beschikbaar zijn.

ray-traced schaduwen
Een manier waarop de renderer schaduwen kan genereren. Ray-tracing volgt het pad van stralen zoals die door een lichtbron worden geproduceerd. Schaduwen verschijnen waar stralen door objecten geblokkeerd zijn. Ray-traced schaduwen hebben scherpe randen.

Ray-traced schaduwen zijn actief wanneer Shadow Map op het palet Advanced Render Settings uitgeschakeld is.

ray-tracing
De renderer kan reflecties en brekingen genereren. Ray Tracing volgt het pad van stralen zoals die door een lichtbron worden geproduceerd. Reflecties en brekingen die op deze manier gegenereerd worden, zijn fysiek accuraat.

U schakelt ray-tracing in op het palet Advanced Render Settings.

rechthoekige scheiding
Het opsplitsen van een tabel in meerdere delen die gelijke tussenruimten hebben en op een gebruikergedefinieerde hoogte zijn ingesteld met behulp van de grips voor tabelscheiding.

reference
Een definitie die ook bekend is als referentietekening of blokverwijzing en die in de tekening wordt gebruikt en opgeslagen. Zie ook blok (BLOCK) en referentietekening. (XREF)
referentietekening (xref)

Een tekeningbestand waarnaar een andere tekening verwijst. (XREF)

reflectiekleur
De kleur van een accentuering op glanzend materiaal. Ook wel weerkaatsingskleur genoemd.

reflectielijn
In een dynamische blokreferentie is dit de as waar de selectieset van een spiegelingsbewerking overheen gespiegeld wordt wanneer de gekoppelde parameter via een grip of het palet Properties bewerkt wordt.

reflectieschaal
Verhoogt of verlaagt de hoeveelheid energie die het materiaal reflecteert.

reflectietoewijzing
Produceert het effect van een scène die wordt gereflecteerd op het oppervlak van een glanzend object.

regenereren
De schermweergave van een tekening bijwerken door de schermcoördinaten in de database opnieuw te berekenen. Zie ook opnieuw tekenen. (REGEN)

relatieve coördinaten
Coördinaten die worden opgegeven ten opzichte van eerder opgegeven coördinaten.

reliëftoewijzingstabel
Een tabel waarin helderheidswaarden worden omgezet in schijnbare wijzigingen in de hoogte van het oppervlak van een object.

resolutie van magnetisch raster
De afstand tussen de punten van het magnetisch raster.

RGB
Acroniem voor red, green, blue. Een systeem voor het definiëren van kleuren door percentages op te geven voor rood, groen en blauw.

rij
Een horizontaal aangrenzende tabelcelselectie die de breedte van de tabel omspant. Eén rij is één cel hoog.

rotatiepijlen
Gebogen pijlen boven de ViewCube-tool waarmee u het actieve aanzicht 90 graden met de klok mee of tegen de klok in kunt draaien.

RSS-feed
Informatie die wordt gepubliceerd door een website waarop u geabonneerd bent. Gebruikers kunnen meestal meldingen ontvangen wanneer er nieuwe inhoud (artikels) gepost is. RSS staat voor Rich Site Summary (of Really Simple Syndication).

rubber-band line
Een lijn die op het scherm met de cursor mee beweegt. Het ene eindpunt van de lijn is bevestigd aan een punt in de tekening en het andere eindpunt is bevestigd aan de cursor.

ruimtelijke index
Een lijst waarin objecten worden geordend op basis van hun ruimtelijke locatie. Wanneer u een tekening gedeeltelijk opent, wordt er een ruimtelijke index gebruikt om uit te vinden welk deel van de tekening ingelezen wordt. Als u een ruimtelijke index bij een tekening opslaat, verbetert u ook de prestatie wanneer u met externe verwijzingen werkt. De systeemvariabele INDEXCTL bepaalt of ruimtelijke en laagindices met een tekening worden opgeslagen.

samengesteld volume
Een volume dat met twee of meer afzonderlijke volumen gemaakt is. (UNION, SUBTRACT, INTERSECT)

samenvoegen
Een aangrenzende celselectie in een tabel, die tot één cel is gecombineerd.

sampling
Sampling is een anti-aliasingtechniek. Voor elke gerenderde pixel wordt een zo toepasselijk mogelijke kleur gekozen. De renderer samplet eerst de scènekleur op locaties in de pixel of langs de pixelrand, en gebruikt dan een filter om de samples in één pixelkleur te combineren.

schaal van kleuruitloop
Verhoogt of verlaagt de verzadiging van de gereflecteerde kleur van het materiaal.

schaalweergave
De weergave van een annotatief object op basis van de annotatieschalen die het object ondersteunt. Als een annotatief object bijvoorbeeld twee annotatieschalen ondersteunt, heeft het twee schaalweergaven.

schaduwprojecties
Een schaduwprojectie is een bitmap die de renderer genereert tijdens de eerste rendering van de scène. Schaduwprojecties bevatten niet de kleur die wordt geproduceerd door transparante of doorzichtige objecten. Ze kunnen echter wel schaduwen met zachte randen hebben, die ray-traced schaduwen niet kunnen hebben.

Schaduwen uit een schaduwprojectie produceren zachtere randen en vereisen minder berekeningstijd dan ray-traced schaduwen, maar zijn minder accuraat. Op het palet Advanced Render Settings zijn schaduwen uit schaduwprojecties actief wanneer Shadow Map ingeschakeld is.

scriptbestand
Een reeks opdrachten die achtereenvolgens worden uitgevoerd met één SCRIPT-opdracht. Scriptbestanden kunt u buiten het programma samenstellen met een teksteditor, opslaan in tekstindeling en bewaren als extern tekstbestand met de bestandsextensie .scr.

secundair tabelfragment
Een fragment van een gescheiden tabel dat niet de eerste set rijen bevat.

selectie met polygoonkaders
Een meerzijdig selectievenster voor het groepsgewijs selecteren van objecten. Zie ook overlappend selectiekader en selectievenster.

selectie tekenbladen
Een benoemde selectie tekenbladen in een set tekenbladen die gemakkelijk opgeroepen kan worden voor archiverings-, verzendings- en
publicatiebewerkingen.

selectiegevoeligheid
De mogelijkheid om het draaipunt te definiëren voor heroriëntering van een model op basis van de actieve selectie.

selectiegroep
Een of meer geselecteerde objecten waarop een opdracht tegelijk mag worden uitgevoerd.

In een dynamische blokdefinitie is dit de geometrie die aan een bewerking is gekoppeld.

selectieknooppunt
Een specifiek type knooppunt in een actiestructuur dat wordt gebruikt om selectieactiviteiten te verwerken.

selectieknop
De knop op een aanwijzer die u indrukt om objecten te selecteren of punten op te geven op het scherm. Op een muis met twee knoppen is dit bijvoorbeeld standaard de linkerknop.

selectielijn
Een lijn met meerdere segmenten waarmee objecten worden geselecteerd die door de lijn lopen.

selectievenster
Een rechthoekig gebied dat in het tekengebied wordt opgegeven om verschillende objecten tegelijk te selecteren. Zie ook overlappend selectiekader, selectie met polygoonkaders.

set tekenbladen
Een georganiseerde en benoemde verzameling tekenbladen voor verschillende tekeningbestanden. Zie ook tekenblad. (SHEETSET)

ShapeManager
ShapeManager is de Autodesk-technologie die AutoCAD en andere producten modellering voor 3D-volumen biedt.

shot
Een opgeslagen aanzicht dat later op naam of met ShowMotion hersteld kan worden. Een shot kan een statische miniatuur van het opgeslagen aanzicht bevatten of de opgeslagen camerabeweging die als een animatie kan worden afgespeeld.

ShowMotion
Gebruikersinterface-element waarmee u benoemde aanzichten (shots) kunt oproepen die in de actieve tekening zijn opgeslagen. De benoemde aanzichten (shots) worden op volgorde geordend en kunnen bewegingen bevatten.

sjabloonbestand voor attribuutextractie
Een tekstbestand dat bepaalt welke attributen worden opgehaald en hoe ze worden opgeslagen in een attribuutextractiebestand. Zie ook attribuutextractiebestand.

snelmenu
Het menu dat op de cursorlocatie wordt weergegeven als u met de rechterknop van uw aanwijzer klikt. Het snelmenu en de opties die daarin worden geboden, zijn afhankelijk van de locatie van de aanwijzer en andere omstandigheden, bijvoorbeeld of een object is geselecteerd en of er op dat moment een opdracht wordt verwerkt.

sneltoetsen
Toetsen en toetsencombinaties waarmee u opdrachten start. Met CTRL+S slaat u bijvoorbeeld een bestand op. Ook de functietoetsen (F1, F2, enzovoort) zijn sneltoetsen. Worden ook wel accelerators genoemd.

snijvlakken
De omlijning waarmee het aanzicht wordt gedefinieerd of bijgesneden.

spiegelen
Een nieuwe versie van een bestaand object maken door het object symmetrisch weer te geven ten opzichte van een bepaalde lijn of een bepaald vlak. (MIRROR)

spiegelende reflectie
Het licht in een smalle kegel waar de hoek van de binnenvallende straal gelijk is aan de hoek van de gereflecteerde straal.

spline-aanpassing
Met deze optie gebruikt u de hoekpunten van de geselecteerde polylijn als de stuurpunten, of het frame, van een kromme. Deze kromme, een zogenaamde spline-polylijn die lijkt op een B-spline, loopt door het eerste en het laatste stuurpunt, tenzij de oorspronkelijke polylijn gesloten is.

standaardbelichting
De belichting in een ingekleurd venster wanneer de zon en gebruikerslichten uitgeschakeld zijn. Vlakken worden belicht door twee bronnen van zwak licht die het standpunt volgen terwijl u zich binnen het model verplaatst.

standaardtekening
Zie beginomgeving.

standaardwaarde
De waarde die wordt geaccepteerd wanneer u achter een subprompt op ENTER drukt. De standaardwaarde wordt tussen punthaken weergegeven. Zie ook standaard.

standpunt
De locatie in het 3D-werkvlak van waaraf u een model bekijkt. Zie ook aanzicht en venster. (3DORBIT, DVIEW, VPOINT)

STB-bestand (STB file)
Acroniem voor plot style table-bestand. Bevat plotstijlen en de bijbehorende kenmerken.

SteeringWheels
Toolset die toegang tot 2D- en 3D-navigatietools biedt.

sturende bemating
Een parametrische bemating die de grootte van geometrie bepaalt en de grootte van het object verandert wanneer zijn waarde wordt gewijzigd.

sturende eigenschap
Een lookup-eigenschap is omkeerbaar wanneer een handmatige wijziging in de lookup-waarde voor een blokreferentie de waarden van andere eigenschappen wijzigt.

stuurhoekpunten (CV's)
De eenvoudigste manier om een NURBS-oppervlak of spline vorm te geven. Deze punten functioneren als grips die versleept kunnen worden om de vorm van het object te wijzigen.

stuurpunt
Zie controlekader.

subobject
Onderdeel van een samengesteld object.

subprompt
Een opdrachtprompt die om invoer vraagt om een opdracht te voltooien of een eigenschap te wijzigen.

subset
Een benoemde verzameling tekenbladen in een set tekenbladen die vaak op discipline of workflowstadium georganiseerd is. Zie ook aanzichtcategorie.

symbolentabel
Zie definitietabel en blokdefinitietabel.

symbool
Een voorstelling van een item die vaak wordt gebruikt in tekeningen. Symbolen worden als blokken in tekeningen ingevoegd.

symboolbibliotheek
Een verzameling blokdefinities die in één tekeningbestand zijn opgeslagen.

systeemvariabele
Een naam die wordt herkend als een modus, grootte of grens. Systeemvariabelen met het kenmerk Alleen-lezen, zoals DWGNAME, kunnen niet rechtstreeks door de gebruiker worden gewijzigd.

tabel
Een rechthoekige matrix van cellen met annotaties, hoofdzakelijk tekst maar ook blokken. Tabellen worden in de AEC-industrie vaak aangeduid als schema's, en bevatten informatie over de materialen die nodig zijn voor de constructie van het gebouw dat ontworpen wordt. In de fabricage-industie worden ze vaak aangeduid als BOM's (stuklijsten). (TABLE)

tabelscheiding
Het punt onder aan een tabelrij waar de tabel in een extra tabelfragment wordt gesplitst.

tabelstijl
Een stijl die een specifieke tabelindeling en -structuur bevat. Een tabelstijl bevat ten minste 3 celstijlen.

tekenblad
Een lay-out die in een tekening geselecteerd wordt en aan een tekeningenset toegewezen wordt. Zie ook set tekenbladen.

tekengebied
Het gebied waarin uw tekeningen worden weergegeven en bewerkt. De grootte van het tekengebied hangt af van de grootte van het AutoCAD-venster en het aantal werkbalken en andere elementen dat wordt weergegeven. Zie ook AutoCAD-venster.

tekeningbegrenzingen
De kleinste rechthoek die alle objecten in een tekening omvat. De rechthoek wordt zo op het scherm weergegeven dat alle objecten zo groot mogelijk zichtbaar zijn. (ZOOM)

tekeningbegrenzingen
Zie rastergrenzen.

tekeningenset
Een verzameling tekeningen die via het dialoogvenster Publish samengesteld kan worden.

tekeningsjabloon
Een tekeningbestand met vooraf bepaalde instellingen voor nieuwe tekeningen, zoals acad.dwten acadiso.dwt. Elke tekening kan echter als sjabloon gebruikt worden. Zie ook beginomgeving.

tekeningstatus
Een verzameling bekende instellingen die de gedragseigenschappen van de tekenomgeving en/of tekening op een bekend tijdstip definiëren, bijvoorbeeld toen een actiemacro werd opgenomen of vóór het afspelen van een actiemacro.

tekenomgeving vóór afspelen
De tekeningstatus voordat een actiemacro wordt afgespeeld.

tekststijl
Een verzameling instellingen die onder een bepaalde naam wordt opgeslagen en die de opmaak van tekst bepaalt. Met tekststijlen kunt u tekens bijvoorbeeld uitrekken, comprimeren, cursiveren, spiegelen of onder elkaar zetten.

terugloop
Gedrag waarbij de cursor aan de tegenoverliggende zijde van het venster verschijnt, zodat een sleepbewerking kan worden voortgezet en niet aan de rand van het tekengebied ophoudt.

terugspoelen
Herstelt het vorige aanzicht of bewegingspad dat door de navigatietool Autodesk® ViewCube®, SteeringsWheels en andere navigatietools is gemaakt.

textuurprojectie
De projectie van een afbeelding (zoals een tegelpatroon) op een object (zoals een stoel).

tijdelijke bestanden
Gegevensbestanden die tijdens een programmasessie worden gemaakt. De bestanden worden verwijderd zodra u de sessie beëindigt. Als de sessie abnormaal wordt beëindigd, bijvoorbeeld tijdens een stroomstoring, is het mogelijk dat tijdelijke bestanden op de vaste schijf blijven staan.

TILEMODE
Een systeemvariabele die bepaalt of vensters verplaatst, en kleiner of groter gemaakt (layout-vensters) kunnen worden, of dat ze alleen naast elkaar kunnen worden geplaatst en elkaar niet overlappen (modelvensters). Zie ook venster.

toepassingsknop
De knop die in de linkerbovenhoek van de toepassing wordt weergegeven. Als u op de toepassingsknop klikt, verschijnt het toepassingsmenu.

toepassingsmenu
Het menu dat verschijnt wanneer u op de toepassingsknop klikt. Het toepassingsmenu bevat veelgebruikte tools voor het maken, bewaren en publiceren van een bestand.

toolbericht
Een klein instructiebericht dat over het tekenvenster wordt weergegeven en specifiek is voor de actieve navigatietool van een SteeringWheel.

tracking
Een manier om een punt te lokaliseren ten opzichte van andere punten in de tekening.

tracking-menu
Een groep knoppen die de cursor volgt terwijl u deze in het venster verplaatst.

transparante opdracht
Een opdracht die is gestart tijdens de uitvoering van een andere opdracht. U dient vóór transparante opdrachten een aanhalingsteken te typen.

transparantie
Een hoeveelheid die definieert hoeveel licht een object doorlaat.

tweezijdig materiaal
Tijdens het renderproces worden de positieve en negatieve loodlijn van het materiaal in aanmerking genomen.

UCS
Zie gebruikerscoördinatenstelsel (UCS).

UCS-pictogram
Een pictogram dat de richting aangeeft van de UCS-assen. (UCSICON)

uitgebreide knopinfo
Wanneer u bepaalde tijd met de cursor boven de knopinfo zweeft, wordt er aanvullende informatie weergegeven.

uitgelijnde bemating
Een bemating die onder een willekeurige hoek de afstand aangeeft tussen twee punten. De maatlijn loopt parallel aan de lijn tussen de definitiepunten van de bemating. (DIMALIGNED)

uitgevouwen paneel
Een gebied op het lint dat aan een lintpaneel is gekoppeld. Een uitgevouwen paneel bevat meerdere tools en knoppen. Zie ook lintpaneel en lint.

uitrekkader
In een dynamische blokdefinitie die een uitrekbewerking of een polaire uitrekbewerking bevat, wordt hiermee bepaald hoe de objecten die zich in het kader bevinden of erdoor gesneden worden, in de blokreferentie bewerkt worden.

uitschuifpaneel
Een gebied op het lint dat aan een lintpaneel is gekoppeld. Een uitschuifpaneel bevat extra tools en besturingselementen. Zie ook lintpaneel en lint.

uitvoereigenschap
Een lookup-eigenschap waarvan de waarde wordt bepaald door invoereigenschappen (andere parametereigenschappen) middels het gebruik van een lookup-tabel.

underlay
Een DWF- of DGN-bestand dat gebruikt wordt om visuele context in een tekeningbestand te bieden. Underlays kunnen niet bewerkt worden en bieden niet alle meldingen. Underlays kunnen niet in een tekening opgenomen worden. Zie ook referentietekening (xref).

UVW
De coördinatenruimte van het materiaal. Wordt in plaats van XYZ gebruikt omdat dat meestal gereserveerd wordt voor het WCS (wereldcoördinatenstelsel). De meeste materiaalprojecties zijn 2D-vlakken die aan 3D-oppervlaken toegewezen zijn. De U-, V- en W-coördinaten corresponderen met de relatieve richtingen van X-, Y- en Z-coördinaten. Als u naar een 2D-projectieafbeelding kijkt, is U het equivalent van X, en staat U voor de horizontale richting van de projectie. V is het equivalent van Y en representeert de verticale richting van de projectie. W is het equivalent van Z en representeert een richting die loodrecht op het UV-vlak van de projectie staat.

vast oppervlak
Een vloeiend, gesloten oppervlak zoals een cilinder. Aangezien het hoekpunt het object raakt, kunnen er knikken ontstaan wanneer de vorm van de het oppervlak gewijzigd wordt. Zie ook periodiek oppervlak.

vaste kromme
Een vloeiende, gesloten kromme zoals een cirkel. Aangezien het hoekpunt het object raakt, kunnen er knikken ontstaan wanneer de vorm van de kromme gewijzigd wordt. Zie ook periodieke kromme.

vector
Een wiskundig object met een precieze richting en lengte, maar zonder specifieke locatie.
veelvlak- en veelhoek-mesh

Oudere mesh-typen die beschikbaar waren vóór AutoCAD 2010. Hoewel u veelhoek- en veelvlak-meshes kunt blijven maken (bijvoorbeeld door MESHTYPE op 0 in te stellen), wordt het nieuwere, bewerkbaardere mesh-type aanbevolen.

veld
Een gespecialiseerd tekstobject dat ingesteld is om gegevens weer te geven die gedurende de levenscyclus van de tekening kunnen veranderen. Wanneer het veld wordt bijgewerkt, wordt de laatste waarde van het veld weergegeven. (FIELD)

venster
Een omkaderd gebied waarin een deel van het werkvlak van een tekening wordt weergegeven. De systeemvariabele TILEMODE bepaalt het soort venster dat wordt gebruikt. 1. Wanneer TILEMODE is uitgeschakeld (0), zijn vensters objecten die op een lay-out kunnen worden verplaatst, verkleind en vergroot. MVIEW) 2. Wanneer TILEMODE is ingeschakeld (1), wordt het hele tekengebied in niet-overlappende modelvensters verdeeld. Zie ook TILEMODE, aanzicht, en standpunt. (VPORTS)

vensterconfiguratie
Een verzameling modelvensters die onder een bepaalde naam zijn opgeslagen. (VPORTS)

verankerbaar venster
Een gebruikersinterface-element dat in het tekengebied gedokt of verankerd kan zijn of kan zweven. Verankerbare vensters zijn bijvoorbeeld het opdrachtvenster, toolpaletten en het palet Properties.

verfijnen
Het aantal vlakken in een mesh-object verviervoudigen terwijl u het basislijnniveau van vloeiendheid herstelt. (U kunt een mesh niet grover maken dan zijn basislijnniveau.) U kunt gespecificeerde mesh-vlakken ook verfijnen zonder het basislijnniveau van vloeiendheid voor het object te herstellen. (MESHREFINE)

Verlichtingssterkte
In fotometrie is de verlichtingssterkte de totale lichtstroom op een oppervlak per eenheidsgebied.

verticaal lint
Wanneer het lint verticaal wordt weergegeven, staat het meestal aan de linker- of rechterkant van het bestandsvenster.

verwijslijnstaart
Het deel van een verwijslijn dat met de annotatie is verbonden.

ViewCube
Gebruikersinterface-element dat de actieve stand van een model weergeeft, en waarmee u het actieve aanzicht interactief kunt roteren of een vooraf ingesteld aanzicht kunt herstellen.

virtueel scherm
Het gebied waarin het programma kan schuiven en zoomen zonder de tekening te regenereren.

visuele stijl
Een verzameling instellingen die de weergave van randen en inkleuring in een venster regelen.

vlak
Een driehoekig of vierzijdig deel van een object dat is voorzien van een oppervlak.

vlakkenbenaderingslijnen
Lijnen die helpen gekromde oppervlakken te visualiseren.

In een 3D-meshobject geven ruitpatronen de grenzen van de mesh-vlakken aan.

vlakkleurmodus
Een instelling in de visuele stijl die bepaalt hoe kleur wordt weergegeven op een vlak.

vlakstijl
Een instelling in de visuele stijl die de inkleuring op een vlak definieert.

vloeiendheid
Een eigenschap van mesh-objecten die de ronding van het object bepaalt. Objecten met hogere niveaus van vloeiendheid hebben meer vlakken, of ruitpatronen.

voetkaars
De Amerikaanse eenheid voor de verlichtingssterkte (symbool: fc). Lm/ft^2.

volumeobject
Een object dat de totale inhoud van een object vertegenwoordigt, zoals een zesvlak.

volumetrische schaduwen
Een fotorealistisch gerenderde weergave van ruimte die het resultaat is van de schaduw van een object.

voorselectie maken
De selectie van objecten voordat een actiemacro of opdracht wordt gegeven.

voorselectieset
Een set objecten die wordt geselecteerd voordat een actiemacro of opdracht wordt uitgevoerd. Zie ook preselectieset.

voorvlakken
Vlakken waarvan de loodlijnen naar buiten zijn gericht.

waarde
In een dynamische blokdefinitie is dit een reeks of lijst met waarden die opgegeven zijn voor een lineaire, polaire, XY- of rotatieparameter.

waardeknooppunt
Een specifiek type actieknooppunt dat wordt gebruikt om verzoeken om gebruikersinvoer te behandelen en de opgenomen waarde vast te houden die tijdens de opname van een actiemacro werd vastgelegd.

waterdicht
Een gesloten 3D-volume of -mesh zonder tussenruimten.

WCS
Zie wereldcoördinatenstelsel (WCS).

wereldcoördinaten
Coördinaten die worden opgegeven ten opzichte van het wereldcoördinatenstelsel (WCS).

wereldcoördinatenstelsel (WCS)
Een coördinatenstelsel dat wordt gebruikt als de basis voor het definiëren van alle objecten en andere coördinatenstelsels. Zie ook gebruikerscoördinatenstelsel (UCS).

werkbalk
Het gedeelte van de interface dat pictogrammen bevat die opdrachten voorstellen.

werkruimte
Een set menu's, werkbalken en verankerbare vensters (zoals het palet Properties, DesignCentre en het toolpalettenvenster) die zo gegroepeerd en georganiseerd zijn dat u in een aangepast, taakgeoriënteerde tekenomgeving kunt werken.

werkset
Een groep objecten die is geselecteerd voor het ter plekke bewerken van verwijzingen.

werktekening
Een tekening voor fabricage- of bouwdoeleinden.

werkvlak
Een van de twee primaire ruimtes waarin objecten zich bevinden. Meestal worden er in deze 3D-ruimte geometrische modellen geplaatst. De definitieve lay-out van specifieke aanzichten en annotaties van het model wordt weergegeven in het papierkader. Zie ook papierkader. (MSPACE)

werkvlak
Een andere naam voor het XY-vlak van het gebruikerscoördinatenstelsel. Zie ook hoogte en gebruikerscoördinatenstelsel (UCS).

wiel
Een verwijzing naar een van de afzonderlijke gebruikersinterface-elementen waaruit SteeringWheels bestaan. Zie ook SteeringWheels.

wieloppervlak
Gebied van een SteeringWheel dat wordt gebruikt om segmenten en andere knoppen te ordenen.

wielsegment
Een sectie op het oppervlak van een SteeringWheel dat aan een specifieke navigatie- of oriëntatietool is toegewezen.

wijzigingen opslaan
De objecten in de oorspronkelijke verwijzing (referentietekening of blokverwijzing) bijwerken aan de hand van wijzigingen die in een object zijn aangebracht in een werkset gedurende ter plekke bewerken van een verwijzing.

wipeout-object
Een polygonaal gebied dat onderliggende objecten verbergt met de actieve achtergrondkleur. Dit gebied wordt begrensd door het wipeoutframe, dat u kunt inschakelen als u wijzigingen wilt aanbrengen, of kunt uitschakelen als u wilt plotten.

X,Y,Z-puntfilters
Zie coördinaatfilters.

xref
Zie referentietekening.

zichtbaarheidsmodus
Toont of verbergt geometrie (in een vervaagde status) die onzichtbaar is voor een zichtbaarheidsstatus. (BVMODE)

zichtbaarheidsstatus
In een dynamisch blok is dit een aangepaste eigenschap waarmee alleen opgegeven geometrie in de blokreferentie weergegeven kan worden. (BVSTATE)

Zoekpad voor AutoCAD-bibliotheek
De volgorde waarin er naar een ondersteunend bestand gezocht wordt: huidige directory, tekeningdirectory, directory die in het ondersteunende pad is opgegeven, en directory die het programmabestand, acad.exe, bevat.

zoektag
Een gebruikergedefinieerd trefwoord dat wordt gebruikt om in de menubrowser naar opdrachten te zoeken.

zoom
Het verkleinen of vergroten van de inhoud van het tekengebied. (ZOOM)

zwevend paneel
Een lintpaneel dat niet aan de rest van het lint of bestandsvenster is gekoppeld.

zwevende vensters
Zie layout-vensters.

Autodesk AEC Collectie