Heeft u een AutoCAD vraag?

Voordat je een vraag plaatst altijd eerst even de zoek functie gebruiken!

Ga naar het onderwerp en stel uw vraag onderaan de pagina.

Selecteer in het dialoogvenster Plot het papierformaat dat u wilt gebruiken.
Als u vanaf een lay-out plot, hebt u het papierformaat misschien al in het dialoogvenster Page Setup opgegeven. Als u echter vanaf het tabblad Model plot, moet u het papierformaat opgeven wanneer u gaat plotten. Selecteer in het dialoogvenster Plot het papierformaat dat u wilt gebruiken. De lijst met papierformaten is afhankelijk van de printer of plotter die u in het dialoogvenster Plot of Page Setup geselecteerd hebt. De lijst met beschikbare plotters bevat alle plotters die op dat moment zijn geconfigureerd voor Windows en alle plotters waarvoor u niet-systeemstuurprogramma’s hebt geïnstalleerd.

Voor de meeste plotters kunt u het standaardpaginaformaat dat wordt gebruikt om nieuw lay-outs te maken ook instellen door het PC3-bestand te bewerken dat aan die plotter is gekoppeld. Voor Windows-systeemprinters kunt u met deze techniek voor Windows en voor dit programma andere standaardpaginaformaten opgeven.
OpmerkingAls de systeemvariabele PAPERUPDATE op 0 is ingesteld, verschijnt een waarschuwing als het huidige papierformaat van de lay-out niet wordt ondersteund door de geselecteerde plotter. Als de systeemvariabele PAPERUPDATE op 1 ingesteld is, wordt het papierformaat automatisch aangepast aan het standaardpapierformaat van de geselecteerde plotter.

Een aangepast papierformaat gebruiken
Als u een papierformaat wilt opgeven dat niet in het dialoogvenster Plot of Page Setup wordt vermeld, kunt u met de Plotter Configuration Editor een aangepast papierformaat voor een niet-systeemprinter toevoegen. Doorgaans kunt u geen aangepast papierformaat aan Windows-systeemprinters toevoegen omdat de toegestane paginaformaten en afdrukbare gebieden door de fabrikant zijn bepaald. U kunt echter wel het afdrukbare gebied wijzigen voor papierformaten die aan een Windows-systeemprinter zijn gekoppeld.

Procedure

Ga als volgt te werk om voor de actieve plot een papierformaat te selecteren:

1. Klik op tabblad Outputpaneel PlotPlot. Typ plot achter de opdrachtprompt.
2. Selecteer in het dialoogvenster Plot een plotter in het vak Name onder Printer/Plotter.
3. Selecteer onder Paper Size een papierformaat in de lijst. Welke papierformaten worden weergegeven , is afhankelijk van de geselecteerde printer.

Het standaardpapierformaat voor een lay-out instellen

1. Klik op tabblad Output > paneel Plot > Page Setup.
2. In het gebied Page Setups van de Page Setup Manager moet de lay-out geselecteerd zijn die u voor het papierformaat wilt instellen. Is dat niet het geval, dan selecteert u de gewenste lay-out. Klik op Modify.
3. Selecteer een papierformaat in de lijst onder Paper Size in het dialoogvenster Page Setup. Klik op OK.
De papierformaten die worden weergegeven, zijn afhankelijk van de plotter die in de pagina-instelling opgegeven is.
4. Klik op Close in de Page Setup Manager. De wijzigingen worden in de lay-out weergegeven.

Het standaardpapierformaat voor een plotter instellen

1. Klik op tabblad Output > paneel Plot > Plot.
2. Selecteer in het dialoogvenster Plot een plotter in de lijst Name onder Printer/Plotter.
3. Klik op Properties.
De Plotter Configuration Editor verschijnt.
4. Gebruik een van de volgende methoden als u een nieuw papierformaat wilt opgeven:

  • Voor een niet-systeemprinter selecteert u Media onder Source and Size.
  • Voor een systeemprinter selecteert u Custom Properties in de structuurweergave. Vervolgens selecteert u Custom Properties onder Access Custom Dialog.

5. Selecteer het gewenste papierformaat.
6. Klik op OK om elk dialoogvenster te sluiten.
Opmerking: Welke papierformaten beschikbaar zijn, is afhankelijk van de printer of plotter. Enkele plotterfabrikanten stellen het papierformaat anders in de Plotter Configuration Editor in.

Een aangepast papierformaat voor een niet-systeemprinter maken of bewerken

1. Klik op tabblad Output > paneel Plot > Manage Plotters.
2. In de Plotter Manager dubbelklikt u op het PC3-bestand waarvan u de configuratie wilt wijzigen.
3. Op het tabblad Device and Document Settings van de Plotter Configuration Editor selecteert u onder User Defined Paper Sizes & Calibration de optie Custom Paper Sizes.
4. Stel een nieuw papierformaat in op een van de volgende manieren:

  • Als u een aangepast papierformaat wilt toevoegen, selecteert u Add en volgt u de stappen in de wizard Custom Paper Size. U geeft het papierformaat, het afdrukbaar gebied en een naam voor het nieuwe papierformaat op.
  • Als u een bestaand papierformaat wilt bewerken, selecteert u het onder Custom Paper Sizes en klikt u op Edit. De wizard Custom Paper Size wordt geopend. Verander de instellingen van het papierformaat.

5. Klik op OK.

Het nieuwe of bewerkte papierformaat is beschikbaar in de dialoogvensters Plot en Page Setup wanneer dat PC3-bestand is geselecteerd.
Opmerking: Wanneer u een aangepast papierformaat voor een niet-systeemstuurprogramma maakt, wordt er een plotmodelparameterbestand (.PMP) aan het plotterconfiguratiebestand (.PC3) gekoppeld. Het .pmp-bestand bevat informatie over aangepaste plotterkalibratie en aangepaste papierformaten. Standaard worden .pmp-bestanden opgeslagen in de map Drv.

Opdrachten

PAGESETUP

Hiermee kunt u de pagina-indeling, het plotapparaat, papierformaat en andere instellingen voor elke nieuwe lay-out bepalen.

PLOT
Hiermee plot u een tekening naar een plotter, printer of bestand.

PLOTTERMANAGER
Hiermee geeft u de Plotter Manager weer, waarmee u een plotterconfiguratie kunt toevoegen of bewerken.

Systeemvariabelen

PAPERUPDATE
Deze systeemvariaele bepaalt of er een waarschuwingsdialoogvenster wordt weergegeven wanneer u probeert om een lay-out af te drukken op een papierformaat dat afwijkt van het standaardformaat dat in het plotterconfiguratiebestand is ingesteld.

SketchUp Pro - Stunt aanbieding