Heeft u een AutoCAD vraag?

Voordat je een vraag plaatst altijd eerst even de zoek functie gebruiken!

Ga naar het onderwerp en stel uw vraag onderaan de pagina.

De volgende opdrachten zijn nieuw of zijn in AutoCAD 2012 bijgewerkt:

3DEDITBAR
Hiermee kunt u de raaklijn van NURBS-oppervlakken vervormen, schalen en bewerken.
ARRAY
Hiermee maakt u kopieën van objecten die in een 2D- of 3D-patroon worden gerangschikt.
ARRAYCLOSE
Hiermee worden wijzigingen opgeslagen of verwijderd die zijn gemaakt in de bronobjecten van een matrix en wordt de matrixbewerkingsstatus afgesloten.
ARRAYEDIT
Hiermee worden associatieve matrixobjecten en hun bronobjecten bewerkt.
ARRAYPATH
Hiermee worden kopieën van een object gelijkmatig gedistribueerd langs een pad of een gedeelte van een pad.
ARRAYPOLAR
Hiermee worden kopieën van een object gelijkmatig gedistribueerd in een cirkelvormig patroon rond een hartpunt of een rotatieas.
ARRAYRECT
Hiermee worden kopieën van het object gedistribueerd over een combinatie van rijen, kolommen en niveaus.
AUTOCOMPLETE
Hiermee wordt bepaald welke typen geautomatischeerde toetsenbordfuncties beschikbaar zijn achter de opdrachtprompt.
BLEND
Hiermee wordt een spline gemaakt in de ruimte tussen twee geselecteerde lijnen of krommen.
CHAMFER
Hiermee worden de randen van objecten afgeschuind.
CHAMFEREDGE
Hiermee worden de randen van 3D-volumen en -oppervlakken afgeschuind.
CLASSICGROUP
Hiermee wordt het verouderde dialoogvenster Object Grouping weergeven.
CONTENTEXPLORER
Hiermee wordt inhoud gezocht en ingevoegd, zoals tekeningbestanden, blokken en stijlen.
CONTENTEXPLORERCLOSE
Hiermee wordt het venster Content Explorer gesloten.
CONVERT
Hiermee optimaliseert u tweedimensionale polylijnen en associatieve arceringen die zijn gemaakt in AutoCAD Release 13 of ouder.
COPY
Hiermee worden objecten over een opgegeven afstand in een opgegeven richting gekopieerd.
CUI
Hiermee kunt u de aangepaste elementen van de gebruikersinterface in het product beheren.
CUSTOMIZE
Hiemee kunt u gereedschapspaletten en groepen gereedschapspaletten aanpassen.
DATAEXTRACTION
Hiermee worden tekeninggegevens opgehaald en gegevens uit een externe bron in een gegevensextractietabel of extern bestand samengevoegd.
-DATAEXTRACTION
Hiermee worden tekeninggegevens opgehaald en gegevens uit een externe bron in een gegevensextractietabel of extern bestand samengevoegd.
DGNBIND (-DGNBIND)
Hiermee worden DGN-underlays in de actieve tekening opgenomen.
DWGCONVERT
Hiermee wordt de indelingsversie van de tekening voor de geselecteerde tekeningbestanden geconverteerd.
EXTEND
Hiermee worden objecten uitgerekt tot de randen van andere objecten.
FILLET
Hiermee worden de randen van objecten rondgemaakt en afgerond.
FILLETEDGE
Hiermee worden de randen van volumeobjecten rondgemaakt en afgerond.
FILTER
Hiermee maakt u een lijst met criteria waaraan een object moet voldoen om te worden opgenomen in een selectiegroep.
GETLINK
Hiermee wordt een URL gegenereerd naar de online kopie van de actieve tekening in AutoCAD WS.
GROUP
Hiermee worden opgeslagen sets objecten (groepen) gemaakt en beheerd.
GROUPEDIT
Hiermee worden objecten toegevoegd aan en verwijderd uit de geselecteerde groep of wordt een nieuwe naam gegeven aan een geselecteerde groep.
JOIN
Hiermee worden de eindpunten van lijnen, 2D- en 3D-polylijnen, bogen, elliptische bogen, helices en splines verbonden om één object te maken.
LIST
Hiermee worden eigenschapsgegevens voor geselecteerde objecten weergegeven.
LOFT
Hiermee wordt een 3D-volume of vlak in de ruimte tussen verschillende dwarsdoorsneden gemaakt.
MANAGEUPLOADS
Hiermee wordt het uploaden van bestanden beheerd, die zijn opgeslagen op de AutoCAD WS-server.
MEASUREGEOM
Hiermee wordt de afstand, straal, hoek, het gebied en het volume van geselecteerde objecten of van een reeks punten gemeten.
MESHCAP
Hiermee maakt u een meshvlak dat open randen met elkaar verbindt.
MESSAGES
Hiermee worden berichten van uw AutoCAD WS-account weergegeven.
NCOPY
Hiermee worden objecten gekopieerd in een xref, blok of DGN-underlay.
OFFSETEDGE
Hiermee wordt een gesloten polylijn of spline-object gemaakt met een vaste afstand van de randen van een geselecteerd vlak op een 3D-volume of een planair oppervlak.
ONLINEDRAWINGS
Hiermee wordt AutoCAD WS in een webbrowser geopend en worden alle beschikbare online bestanden weergegeven.
OPENONLINE
Hiermee wordt AutoCAD WS Editor geopend in een webbrowser en wordt een online kopie van de actieve tekening weergegeven zodat deze online kunnen worden bewerkt en gedeeld.
OPTIONS
Hiermee past u de programmainstellingen aan.
OVERKILL
Hiermee worden dubbele of overlappende lijnen, bogen en polylijnen verwijderd. Ook worden hiermee gedeeltelijk overlappende of aansluitende items gecombineerd.
-OVERKILL
Hiermee worden dubbele of overlappende lijnen, bogen en polylijnen verwijderd. Ook worden hiermee gedeeltelijk overlappende of aansluitende items gecombineerd.
PRESSPULL
Hiermee worden omkaderde gebieden ingedrukt of uitgetrokken.
PURGE
Hiermee kunt u ongebruikte items, zoals blokdefinities en lagen, uit de tekening verwijderen.
-PURGE
Hiermee kunt u ongebruikte items, zoals blokdefinities en lagen, uit de tekening verwijderen.
QSELECT
Hiermee kunt u een selectiegroep maken op basis van filtercriteria.
QUICKCUI
Hiermee wordt de Customize User Interface Editor in samengevouwen toestand weergegeven.
QUICKPROPERTIES
Hiermee worden de gegevens in Quick Properties voor geselecteerde objecten weergegeven.
SHARE
Hiermee wordt de online kopie van de actieve tekening in AutoCAD WS met andere gebruikers gedeeld.
SPLINEDIT
Hiermee worden de parameters van een spline gewijzigd of wordt een spline-polylijn omgezet in een spline.
SURFBLEND
Hiermee maakt u een ononderbroken Blend-oppervlak tussen twee bestaande oppervlakken.
SURFPATCH
Hiermee maakt u een nieuw oppervlak door over de rand van een oppervlak een boog te plaatsen die een gesloten lus vormt.
TIMELINE
Hiermee wordt toegang verleend aan eerdere versies van de online kopie in AutoCAD WS van de actieve tekening.
UCS
Hiermee beheert u gebruikerscoördinatenstelsels.
UCSICON
Hiermee kunt u de zichtbaarheid en plaatsing van het UCS-pictogram bepalen.
UNGROUP
Hiermee wordt een groep opgesplitst.
UPLOAD
Hiermee kunt u de actieve tekening uploaden naar AutoCAD WS en kunt u aangeven of wijzigingen automatisch worden geüpload.
UPLOADFILES
Hiermee worden geselecteerde bestanden geüpload naar AutoCAD WS.
VIEWBASE
Hiermee wordt een basisaanzicht gemaakt van het werkvlak of Autodesk Inventor-modellen.
VIEWEDIT
Hiermee wordt een bestaand 2D-aanzicht bewerkt.
VIEWPROJ
Hiermee worden één of meer geprojecteerde aanzichten gemaakt van een bestaand 2D-aanzicht.
VIEWSETPROJ
Hiermee wordt het actieve projectbestand opgegeven voor tekeningen met aanzichten van Inventor-modellen.
VIEWSTD
Hiermee worden de standaardinstellingen voor 2D-aanzichten gedefinieerd.
VIEWUPDATE
Hiermee worden 2D-aanzichten bijgewerkt die zijn verouderd doordat het bronmodel is gewijzigd.
VPLAYER
Hiermee wordt zichtbaarheid van lagen in vensters ingesteld.
-VPORTS
Hiermee kunt u meerdere vensters in een werkvlak of papierkader maken.

Nieuwe en bijgewerkte systeemvariabelen
De volgende systeemvariabelen zijn nieuw of zijn in AutoCAD 2012 bijgewerkt:

APPAUTOLOAD
Hiermee wordt bepaald wanneer plug-intoepassingen worden geladen.
ARRAYEDITSTATE
Hiermee wordt aangegeven of een tekening de status matrixbewerking heeft, die wordt geactiveerd als de bronobjecten van een associatieve matrix worden bewerkt.
ARRAYTYPE
Hiermee wordt het standaardmatrixtype opgegeven.
AUTOCOMPLETEDELAY
Hiermee wordt de hoeveelheid tijd bepaald die verstrijkt voordat geautomatiseerde toetsenbordfuncties worden weergegeven achter de opdrachtprompt.
AUTOCOMPLETEMODE
Hiermee wordt bepaald welke typen geautomatischeerde toetsenbordfuncties beschikbaar zijn achter de opdrachtprompt.
CONTENTEXPLORERSTATE
Hiermee wordt aangegeven of het venster Content Explorer geopend of gesloten is.
DELOBJ
Hiermee bepaalt u of geometrie die voor het maken van 3D-objecten gebruikt wordt, behouden of verwijderd wordt.
DGNFRAME
Hiermee wordt bepaald of DGN-underlaykaders zichtbaar zijn of geplot worden in de actieve tekening.
DGNIMPORTMODE
Hiermee wordt het standaardgedrag van de opdracht DGNIMPORT ingesteld.
DRAGP1
Wanneer hardwareversnelling is ingeschakeld, wordt hiermee bepaald hoeveel vectoren door het systeem worden getekend wanneer u objecten in een 2D-venster sleept, voordat wordt gecontroleerd of er nieuwe invoer van de muis is.
DRAGP2
Wanneer softwareversnelling wordt gebruikt, wordt hiermee bepaald hoeveel vectoren door het systeem worden getekend wanneer u objecten in een 2D-venster sleept, voordat wordt gecontroleerd of er nieuwe invoer van de muis is.
DWFFRAME
Deze systeemvariabele bepaalt of DWF- of DWFx-underlayframes in de actieve tekening worden weergegeven of geplot.
DYNINFOTIPS
Hiermee wordt doorlopende info voor gripmanipulatie in- en uitgeschakeld.
FRAME
Hiermee wordt de weergave van kaders bepaald voor alle afbeeldingen, underlays en bijgesneden xref's.
FRAMESELECTION
Hiermee wordt bepaald of het kader van een afbeelding, underlay of bijgesneden xref kan worden geselecteerd.
GROUPDISPLAYMODE
Hiermee wordt de weergave en de grips bepaald van groepen, wanneer groepselectie is ingeschakeld.
HPQUICKPREVTIMEOUT
Hiermee wordt de maximale tijdsduur ingesteld, waarin AutoCAD probeert een voorbeeld van de arcering te maken als u de opdracht HATCH hebt gebruikt.
IMAGEFRAME
Hiermee wordt geregeld of beeldkaders worden weergegeven en geplot.
LAYOUTCREATEVIEWPORT
Hiermee wordt opgegeven of een afzonderlijk venster moet worden gemaakt voor elke nieuwe lay-out die aan een tekening wordt toegevoegd.
PDFFRAME
Hiermee bepaalt u of het PDF-underlayframe zichtbaar is.
PICKAUTO
Deze systeemvariabele bepaalt of er automatisch een selectiekader wordt gebruikt wanneer de prompt Select Objects verschijnt.
PICKDRAG
Deze systeemvariabele bepaalt de tekenmethode voor een selectiekader.
PREVIEWCREATIONTRANSPARENCY
Hiermee wordt de transparantie van het voorbeeld bepaald dat wordt gegenereerd met de opdrachten SURFBLEND, SURFPATCH, SURFFILLET, FILLETEDGE, CHAMFEREDGE en LOFT.

PROPOBJLIMIT
Hiermee wordt het maximale aantal objecten bepaald dat tegelijkertijd kan worden gewijzigd met de paletten Properties en Quick Properties.

RIBBONICONRESIZE
Hiermee wordt de grootte van afbeeldingen op het lint gewijzigd in de standaardgrootte.
SHORTCUTMENUDURATION
Hiermee wordt opgegeven hoe lang (in milliseconden) de rechterknop van de aanwijzer moet worden ingedrukt voordat een snelmenu wordt weergegeven in het tekengebied.
SHOWPAGESETUPFORNEWLAYOUTS
Hiermee wordt opgegeven of de Page Setup Manager wordt weergegeven wanneer een nieuwe lay-out wordt gemaakt.
SNAPMODE
Deze systeemvariabele schakelt de magneetmodus in en uit.
SOLIDHIST
Hiermee regelt u de standaardinstelling van de eigenschap History voor volumeobjecten.
SPLPERIODIC
Hiermee wordt bepaald of splines en NURBS-oppervlakken worden gegenereerd met periodieke eigenschappen als ze gesloten zijn, of dat ze verouderd gedrag vertonen.

STARTUP
Deze systeemvariabele bepaalt of het dialoogvenster Create New Drawing verschijnt, wanneer er een nieuwe tekening gestart wordt met NEW of QNEW.

TBSHOWSHORTCUTS
Hiermee wordt aangegeven of sneltoetsen worden weergegeven in de knopinfo.
TOOLTIPSIZE
Hiermee wordt de weergavegrootte van de knopinfo ingesteld.
TOOLTIPTRANSPARENCY
Hiermee kunt u de transparantie van de knopinfo instellen.
UCS2DDISPLAYSETTING
Hiermee wordt het UCS-pictogram weergegeven wanneer de visuele stijl 2D Wireframe actief is.
UCS3DPARADISPLAYSETTING
Hiermee wordt het UCS-pictogram weergegeven als perspectiefaanzicht is uitgeschakeld en een visuele 3D-stijl actief is.
UCS3DPERPDISPLAYSETTING
Hiermee wordt het UCS-pictogram weergegeven als perspectiefaanzicht is ingeschakeld en een visuele 3D-stijl actief is.
UCSSELECTMODE
Hiermee wordt bepaald of het UCS-pictogram wordt gemarkeerd wanneer de cursor erover wordt bewogen en of u het pictogram kunt selecteren door erop te klikken.
VPCONTROL
Hiermee wordt bepaald of de vensterlabelmenu's worden weergegeven in alle vensters.
WORKSPACELABEL
Hiermee wordt de weergave bepaald van het werkomgevingslabel in de statusbalk.
XCLIPFRAME
Deze systeemvariabele bepaalt of xref-bijsnijdkaders in de actieve tekening worden weergegeven of geplot.

Vervangen opdrachten en systeemvariabelen
In deze release zijn de volgende zaken vervangen:

Opdrachten

BLIPMODE
DSVIEWER

Systeemvariabelen

BLIPMODE
MATERIALSPATH
MATSTATE
SCREENBOXES
SCREENMENU
TRACEWID
SketchUp Pro - Stunt aanbieding