Heeft u een AutoCAD vraag?

Voordat je een vraag plaatst altijd eerst even de zoek functie gebruiken!

Ga naar het onderwerp en stel uw vraag onderaan de pagina.

Hiermee wordt een 3D-volume of vlak in de ruimte tussen verschillende dwarsdoorsneden gemaakt.

Oproepmethoden

LOFT Knop


ac.mouse Lint: tabblad Home > paneel Modeling > Loft
ac.mouse Menu: Draw > Modeling > Loft
ac.mouse Werkbalk: Modeling

Hiermee wordt een 3D-volume of oppervlak gemaakt door een reeks dwarsdoorsneden op te geven. De dwarsdoorsneden definiëren de vorm van het resulterende volume of oppervlak. U moet ten minste twee dwarsdoorsneden opgeven.



Beklede profielen kunnen open of gesloten en planair of niet-planair zijn, en kunnen ook randsubobjecten zijn. Gebruik de modusoptie om te bepalen of u een oppervlak of volume wilt maken.



Gebruik voor oppervlakken SURFACEMODELINGMODE om te bepalen of het oppervlak een NURBS- of procedureoppervlak wordt. Gebruik SURFACEASSOCIATIVITY om te regelen of procedureoppervlakken associatief zijn.

U kunt de volgende objecten en subobjecten gebruiken met LOFT:



Met DELOBJ kunt u dwarsdoorsneden, hulplijnen en paden automatisch verwijderen. Als associativiteit van oppervlakken is ingeschakeld, wordt DELOBJ genegeerd en de oorspronkelijke geometrie niet verwijderd.

De volgende prompts worden weergegeven.

Cross Sections in Lofting Order

Selecteer open of gesloten krommen in de volgorde waarin het oppervlak of het volume erdoorheen gaat.
Punt

Als u deze optie selecteert, moet u ook een gesloten kromme selecteren.
Join Multiple Curves

Hiermee worden meerdere aaneengesloten krommen samengevoegd tot één dwarsdoorsnede.
Mode

Hiermee bepaalt u of het beklede object een volume of een oppervlak is.
Options

* Guides
* Path
* Cross sections only
* Settings

Continuity

Deze optie wordt alleen weergegeven als de systeemvariabele LOFTNORMALS is ingesteld op 1 (vloeiende pasvorm). Hiermee geeft u op of de continuïteit waar de oppervlakken samenkomen, G0, G1 of G2 is.
Bulge Magnitude

Deze optie wordt alleen weergegeven als de systeemvariabele LOFTNORMALS is ingesteld op 1 (vloeiende pasvorm). Hiermee geeft u een vergrotingswaarde op voor bolling van objecten met een continuïteit van G1 of G2.

Guides

Hier kunt u geleidekrommen specificeren waarmee de vorm van het 'beklede' volume of oppervlak bepaald kan worden. Met behulp van geleidekrommen kunt u bepalen hoe punten op overeenkomende dwarsdoorsneden bij elkaar gezocht worden om ongewenste resultaten te voorkomen, zoals rimpels in het resulterende volume of oppervlak.



* Snijdt elke dwarsdoorsnede
* Begint op de eerste dwarsdoorsnede
* Eindigt op de laatste dwarsdoorsnede

Selecteer een willekeurig aantal geleidekrommen voor het beklede oppervlak of volume en druk op Enter.

Path

Hier specificeert u één pad voor het beklede volume of oppervlak.



De padkromme moet alle vlakken van de dwarsdoorsneden snijden.

Cross Sections Only

Hiermee maakt u beklede objecten zonder hulplijnen of paden.

Settings

Hiermee wordt het dialoogvenster Loft Settings weergegeven.

Het dialoogvenster Loft Settings

Hiermee wordt de contour van een bekleed oppervlak bij zijn dwarsdoorsneden bepaald. U kunt het oppervlak of volume hiermee ook sluiten.

Loft Setting

De volgende opties worden weergegeven:

Ruled

Hiermee specificeert u dat het volume of oppervlak lijnen heeft (recht) tussen de dwarsdoorsneden en scherpe randen bij de dwarsdoorsneden. (systeemvariabele LOFTNORMALS)

Smooth Fit

Hiermee specificeert u dat er een glad volume of oppervlak tussen de dwarsdoorsneden getekend wordt, en dat het scherpe randen bij de begin- en einddwarsdoorsnede heeft. (systeemvariabele LOFTNORMALS)

Start Continuity

Hiermee stelt u de raaklijnen en krommingen van de eerste dwarsdoorsnede in.
End Continuity

Hiermee stelt u de raaklijnen en krommingen van de laatste dwarsdoorsnede in.
Start Bulge Magnitude

Hiermee stelt u de grootte van de kromme van de eerste dwarsdoorsnede in.
End Bulge Magnitude

Hiermee stelt u de grootte van de kromme van de laatste dwarsdoorsnede in.

Normal To

Bepaalt de oppervlakloodlijn van het volume of oppervlak waar hij de dwarsdoorsneden doorloopt. (systeemvariabele LOFTNORMALS)

Start Cross Section

Hiermee bepaalt u dat de oppervlakloodlijn loodlijn is naar de begindwarsdoorsnede.
End Cross Section

Hiermee bepaalt u dat de oppervlakloodlijn loodlijn is naar de einddwarsdoorsnede.
Start and End Cross Sections

Hiermee bepaalt u dat de oppervlakloodlijn loodlijn is naar zowel de begin- als einddwarsdoorsnede.
All Cross Sections

Hiermee bepaalt u dat de oppervlakloodlijn loodlijn is naar alle dwarsdoorsneden.

Draft Angles

Hier bepaalt u de lossingshoek en vergroting van de eerste en laatste dwarsdoorsneden van het beklede volume of oppervlak. De lossingshoek is de beginrichting van het oppervlak. 0 wordt gedefinieerd als naar buiten toe vanaf het vlak van de kromme. (systeemvariabele LOFTNORMALS)



In de volgende illustratie ziet u het effect wanneer er een andere lossingshoek gebruikt wordt voor de eerste en laatste dwarsdoorsnede van een bekleed volume. Aan de eerste dwarsdoorsnede wordt een lossingshoek van 45 graden toegewezen, terwijl aan de laatste dwarsdoorsnede een lossingshoek van 135 graden wordt toegewezen.



U kunt de greep voor de lossingshoek ook gebruiken om de lossingshoek (driehoekige grip) en de vergroting (ronde grip) aan te passen.



Start Angle

Hier specificeert u de lossingshoek voor de begindwarsdoorsnede. (systeemvariabele LOFTANG1)
Start Magnitude

Hier bepaalt u de relatieve afstand van het oppervlak vanaf de begindwarsdoorsnede in de richting van de lossingshoek voordat het oppervlak naar de volgende dwarsdoorsnede gaat afbuigen. (systeemvariabele LOFTMAG1)
End Angle

Hier specificeert u de lossingshoek voor de einddwarsdoorsnede. (systeemvariabele LOFTANG2)
End Magnitude

Hier bepaalt u de relatieve afstand van het oppervlak vanaf de einddwarsdoorsnede in de richting van de lossingshoek voordat het oppervlak naar de vorige dwarsdoorsnede gaat afbuigen. (systeemvariabele LOFTMAG2)

Close Surface or Solid

Hiermee wordt een oppervlak of volume gesloten of geopend. Wanneer u deze optie gebruikt, moeten de dwarsdoorsneden een torusvormig patroon maken, zodat het beklede oppervlak of volume een gesloten band kan vormen. (systeemvariabele LOFTPARAM)



Smooth Ends

Hiermee maakt u een vloeiend, gesloten oppervlak waarvan de naad geen knik maakt als de vorm wordt aangepast. Deze optie is alleen beschikbaar als de bekleding lijnen of een vloeiende pasvorm heeft en de optie Close Surface of Solid geselecteerd is.

 

SketchUp Pro - Stunt aanbieding