Heeft u een AutoCAD vraag?

Voordat je een vraag plaatst altijd eerst even de zoek functie gebruiken!

Ga naar het onderwerp en stel uw vraag onderaan de pagina.

Pas 3D-objecten aan door hun instellingen in het palet Properties te wijzigen.

U kunt 3D-objecten, -volumen, -oppervlakken en -meshes en hun subobjecten aanpassen op het palet Properties.

Volumeobjecten aanpassen door eigenschappen te wijzigen
U kunt kenmerken van basisvolumen zoals grootte, hoogte en vorm wijzigen op het palet Properties. Als u bijvoorbeeld een vierzijdige piramide die uitloopt op een punt, wilt veranderen in een achtzijdige piramide met een planair oppervlak (afgeknotte piramide), werkt u de eigenschappen Top Radius en Sides bij.

Volumeobjecten

Instellen of u de geschiedenis van een samengesteld object wilt behouden
Bij 3D-volumen die opnieuw tot samengestelde objecten gecombineerd zijn, kunt u kiezen of u het geschiedenissubobject, dat verwijderde componenten voorstelt, wilt behouden. Met het palet Properties bepaalt u de beschikbaarheid en weergave van deze geschiedenissen. Zie Met complexe 3D-volumen en -oppervlakken werken.



Oppervlakobjecten aanpassen door eigenschappen te wijzigen
Oppervlakobjecten hebben extra eigenschappen die 3D-volume of -meshobjecten niet hebben. De eigenschappen verschillen, afhankelijk van het type oppervlak (NURBS, Blend, Patch, Network, Offset, Fillet, Chamfer, Extend, Loft, Extrude, Sweep, Planar of Revolve).

Oppervlakken bevatten de volgende gegevens in het palet Properties:

  • Basic geometric information - Bevat gegevens zoals de straal voor afrondingsoppervlakken, de verschuivingsafstand voor verschoven oppervlakken en de tapse hoek voor geĂ«xtrudeerde oppervlakken. U kunt ook wiskundige expressies invoeren om sommige van deze eigenschappen te bepalen.
  • Trimmed Edges/Surface - Hier ziet u of het oppervlak bijgesneden gebieden heeft en op welke randen.
  • Maintain Associativity - Hier wordt weergegeven of het oppervlak associatief is of niet. Gebruik deze eigenschap om associativiteit uit te schakelen.
  • Show Associativity - Hiermee wordt afhankelijksheidsmarkering in- en uitgeschakeld als het oppervlak gekoppeld is aan andere oppervlakken.
  • Edge Continuity and Bulge Magnitude - Wordt weergegeven voor oppervlakken die andere oppervlakken samenvoegen.
  • Wireframe Display and U/V Isolines - Hiermee wordt de weergave Wireframe and U/V Isoline in- en uitgeschakeld (voor niet-NURBS-oppervlakken).
  • CV Hull Display and U/V Isoparms - Hiermee wordt de weergave CV Hull and U/V Isoparms in- en uitgeschakeld (voor NURBS-oppervlakken).

Meshobjecten aanpassen door eigenschappen te wijzigen
Meshobjecten hebben extra eigenschappen die het vloeiendheids- en plooiniveau bepalen. Plooieigenschappen van vlak-, rand- en hoekpuntsubobjecten worden ook weergegeven op het palet Properties.

  • Vloeiendheidsniveau. Hiermee maakt u de randen van een meshobject vloeiender of scherper.




  • Plooitype. Hiermee geeft u de aanwezigheid van een plooi (of scherpe rand) en het vloeiendheidseffect op. Vloeiend maken heeft geen invloed op een plooi met de waarde Always. Een plooi die is ingesteld op By Level behoudt zijn scherpte totdat het meshobject vloeiend is gemaakt tot aan het opgegeven plooiniveau.




  • Plooiniveau.Wanneer een plooi is ingesteld op By Level, wordt hiermee het vloeiendheidsniveau aangegeven waarop de plooi zijn scherpte verliest.




Eigenschappen van 3D-subobjecten wijzigen
Behalve voor volumen, oppervlakken en meshes kunt u het palet Properties ook gebruiken om de eigenschappen van individuele subobjecten, zoals vlakken, randen en hoekpunten, te wijzigen. Verschillende eigenschappen zijn beschikbaar voor verschillende subobjecttypen.

In sommige gevallen kan de toepassing van eigenschappen verschillen, afhankelijk van het objecttype. U kunt bijvoorbeeld de eigenschappen van meshvlakken, inclusief hun kleur, aanpassen. De kleurweergave van een meshvlak kan echter verschillen van de equivalente kleur op een 3D-volumevlak. Dit verschil treedt op omdat de kleurwijziging de Verklarende woordenlijst van het vlak verandert, maar niet de Verklarende woordenlijst (die wordt afgeleid van de materiaaleigenschap van de mesh). Als u een betere overeenkomst tussen de kleur van 3D-volumen en meshvlakken wilt verkrijgen, kunt u lichten toevoegen en standaardbelichting (en daarmee omgevingverlichting) uitschakelen. U kunt ook proberen om een materiaal toe te wijzen dat dezelfde omgevingskleur of diffuse kleur heeft. Zie Create Materials voor meer informatie.

Procedure

De omtrek van een bekleed volume of oppervlak aanpassen door de instellingen voor de oppervlakloodlijn te wijzigen via het palet Properties

1. In de tekening selecteert u een bekleed volume of oppervlak dat met dwarsdoorsneden gemaakt werd.
2. Als het palet Properties niet wordt weergegeven, selecteert u een willekeurig object. Klik met de rechtermuisknop op het object om het snelmenu te openen. Klik op Properties.
3. In het vak Geometry van het palet Properties wijzigt u de instelling Surface Normals. (Zie Modify Loft Settings voor een beschrijving.)

Een meshobject in het palet Properties aanpassen

1. Als het palet Properties niet wordt weergegeven, selecteert u een willekeurig object. Klik met de rechtermuisknop op het object om het snelmenu te openen. Klik op Properties.
2. Klik op het meshobject om het te selecteren.
3. Bewerk de eigenschappen die u wilt wijzigen in het palet Properties.

Een meshvlak, -rand of -hoekpunt in het palet Properties aanpassen

1. Als het palet Properties niet wordt weergegeven, selecteert u een willekeurig object. Klik met de rechtermuisknop op het object om het snelmenu te openen. Klik op Properties.
2. Druk op Ctrl+klik om het object (meshvlak, -rand of -hoekpunt) te selecteren dat u wilt bewerken.
Opmerking: Kunt u geen specifiek subobject selecteren, controleer dan of selectiefiltering van subobjecten voor een ander subobjecttype ingeschakeld is. (Klik met de rechtermuisknop in het tekengebied en kies Subobject Selection Filter.)
3. Bewerk de eigenschappen die u wilt wijzigen in het palet Properties.

Opdrachten

PROPERTIES
Hiermee bepaalt u eigenschappen van bestaande objecten.

Systeemvariabelen

FILLETRAD
Deze systeemvariabele bevat de actieve afrondingsstraal voor 2D-objecten.

FILLETRAD3D
Deze systeemvariabele bevat de actieve afrondingsstraal voor 3D-objecten.

LOFTANG1
Hiermee stelt u de lossingshoek in door de eerste dwarsdoorsnede in een bekledingsbewerking.

LOFTANG2
Hiermee stelt u de lossingshoek in door de laatste dwarsdoorsnede in een bekledingsbewerking.

LOFTMAG1
Hiermee stelt u de vergroting van de lossingshoek in door de eerste dwarsdoorsnede in een bekledingsbewerking.

LOFTMAG2
Hiermee stelt u de vergroting van de lossingshoek in door de laatste dwarsdoorsnede in een bekledingsbewerking.

SketchUp Pro - Stunt aanbieding