Heeft u een AutoCAD vraag?

Voordat je een vraag plaatst altijd eerst even de zoek functie gebruiken!

Ga naar het onderwerp en stel uw vraag onderaan de pagina.

Dialoogvenster Drafting Settings
Hiermee geeft u het tabblad Drafting van het dialoogvenster Options weer. Als u DSETTINGS transparant hebt gestart, kunt u het dialoogvenster Options niet openen vanuit het dialoogvenster Drafting Settings.


Lijst met opties

De volgende opties worden weergegeven:

Tabblad Snap and Grid (dialoogvenster Drafting Settings)
Hier kunt u de instellingen voor de magneet en het raster opgeven.

Snap On
Hiermee schakelt u de magneetmodus in en uit. U kunt de magneetmodus ook in- en uitschakelen door Snap aan te klikken op de statusbalk, door op F9 te drukken of door de systeemvariabele SNAPMODE te gebruiken.

Snap Spacing
Hiermee definieert u een onzichtbaar, rechthoekig raster van magneetpunten dat de beweging van de cursor beperkt tot vaste X- en Y-intervallen.

Snap X Spacing
Geeft de waarde op voor de afstand tussen de punten in het magnetisch raster in de X-richting. De waarde moet een positief reëel getal zijn. (systeemvariabele SNAPUNIT)

Snap Y Spacing
Geeft de waarde op voor de afstand tussen de punten in het magnetisch raster in de Y-richting. De waarde moet een positief reëel getal zijn. (systeemvariabele SNAPUNIT)

Equal X and Y Spacing
Hiermee zorgt u ervoor dat de X- en Y-afstand op dezelfde waarden worden ingesteld als de magneetafstand en de rasterafstand De intervallen voor magneetpuntafstand kunnen afwijken van de intervallen voor rasterafstand.

Polar Spacing
Hiermee bepaalt u de toename van de afstand van PolarSnap™.

Polar Distance
Hiermee stelt u de toename van de afstand voor magneten in wanneer PolarSnap onder Snap Type & Style is geselecteerd. Als deze optie is ingesteld op 0, wordt de afstand gebruikt die voor Snap X Spacing is ingesteld. De instelling Polar Distance wordt in gebruikt combinatie met tracking met polaire tracking en/of tracking met objectmagneten. Als geen van deze functies is ingeschakeld, heeft de instelling Polar Distance geen invloed. (systeemvariabele POLARDIST)

Snap Type
Hiermee kunt u de magneetstijl en het magneettype instellen.

Grid Snap
Hiermee stelt u het magneettype in op Grid. Wanneer u punten opgeeft, springt de cursor naar verticale of horizontale rasterpunten. (systeemvariabele SNAPTYPE)

Rectangular Snap
Hiermee stelt u de magneetstijl in op de standaard magneetmodus Rectangular. Als het magneettype is ingesteld op Grid en de magneetmodus is ingeschakeld, hecht de cursor aan een rechthoekig magnetisch raster. (systeemvariabele SNAPSTYL)

Isometric Snap
Hiermee stelt u de magneetstijl in op de magneetmodus Isometric. Als het magneettype is ingesteld op Grid en de magneetmodus is ingeschakeld, hecht de cursor aan een isometrisch magnetisch raster. (systeemvariabele SNAPSTYL)

PolarSnap
Hiermee stelt u het magneettype in op Polar. Wanneer de magneetmodus actief is en u punten specificeert met polaire tracking ingeschakeld, hecht de cursor zich aan polaire uitlijningshoeken ingesteld op het tabblad Polar Tracking die relatief zijn aan het startpunt voor polaire tracking. (systeemvariabele SNAPTYPE)

Grid On
Hiermee schakelt u het raster in en uit. U kunt de rastermodus ook inschakelen door Grid op de statusbalk aan te klikken, door op F7 te drukken of door de systeemvariabele GRIDMODE te gebruiken.

Grid Style
Hiermee stelt u de rasterstijl voor een 2D-context in. U kunt de rasterstijl ook instellen met de systeemvariabele GRIDSTYLE.

2D Model Space
Hiermee stelt u de rasterstijl in op een gestippeld raster voor 2D-werkvlakken. (systeemvariabele GRIDSTYLE)

Block Editor
Hiermee stelt u de rasterstijl in op een gestippeld raster voor de Block Editor. (systeemvariabele GRIDSTYLE)

Sheet/Layout
Hiermee stelt u de rasterstijl in op een gestippeld raster voor Sheet en Layout. (systeemvariabele GRIDSTYLE)

Grid Spacing
Hiermee bepaalt u de weergave van een raster waarmee u afstanden zichtbaar kunt maken.
OpmerkingDe grenzen van het raster worden bepaald door de opdracht LIMITS en de systeemvariabele GRIDDISPLAY.

Grid X Spacing
Hier kunt u de rasterafstand in de X-richting opgeven. Als deze optie is ingesteld op 0, wordt de afstand gebruikt die voor Snap X Spacing is ingesteld. (systeemvariabele GRIDUNIT)

Grid Y Spacing
Hier kunt u de rasterafstand in de Y-richting opgeven. Als deze optie is ingesteld op 0, wordt de afstand gebruikt die voor Snap Y Spacing is ingesteld. (systeemvariabele GRIDUNIT)

Major Line Every
Hiermee specificeert u de frequentie van hoofdrasterlijnen in vergelijking met kleinere rasterlijnen. Wanneer GRIDSTYLE is ingesteld op 0, worden er rasterlijnen in plaats van rasterpunten weergegeven. (systeemvariabele GRIDMAJOR)

Grid Behavior
Hiermee bepaalt u hoe rasterlijnen weergegeven worden wanneer GRIDSTYLE op 0 is ingesteld.

Adaptive Grid
Hiermee beperkt u de dichtheid van het raster wanneer u uitzoomt. (systeemvariabele GRIDDISPLAY)

Allow Subdivision Below Grid Spacing:
Hiermee genereert u extra, dichter op elkaar gepakte rasterlijnen wanneer u inzoomt. De frequentie van deze rasterlijnen wordt bepaald door de frequentie van de hoofdrasterlijnen. (systeemvariabelen GRIDDISPLAY en GRIDMAJOR)

Display Grid Beyond Limits
Hiermee wordt het raster weergegeven tot buiten het gebied dat door de opdracht LIMITS gespecificeerd wordt. (systeemvariabele GRIDDISPLAY)

Follow Dynamic UCS
Hiermee laat u het rastervlak het XY-vlak van het dynamische UCS volgen. (systeemvariabele GRIDDISPLAY)

Tabblad Polar Tracking (dialoogvenster Drafting Settings)
Hiermee bepaalt u de instellingen van AutoTrack.

Polar Tracking On
Hiermee kunt u polaire tracking in- en uitschakelen. U kunt polaire tracking ook in- en uitschakelen met F10 of via de systeemvariabele AUTOSNAP.

Polar Angle Settings
Hiermee stelt u de uitlijningshoeken voor polaire tracking in. (systeemvariabele POLARANG)

Increment Angle
Hiermee stelt u de polaire-hoekvergrotingen in die worden gebruikt voor het weergeven van de uitlijningspaden voor polaire tracking. U kunt elke gewenste hoek opgeven, maar u kunt ook een van de volgende veelgebruikte hoeken selecteren in de lijst: 90, 45, 30, 22.5, 18, 15, 10 of 5 graden. (systeemvariabele POLARANG)

Additional Angles
Hiermee voegt u extra hoeken toe aan de lijst met beschikbare hoeken voor polaire tracking. Het selectievakje Additional Angles kunt u ook in- of uitschakelen met de systeemvariabele POLARMODE en de weergave van de lijst met extra hoeken kunt u ook bepalen met de systeemvariabele POLARADDANG.
OpmerkingExtra hoeken zijn absoluut en niet incrementeel.

List of Angles
Als Additional Angles geselecteerd is, ziet u hier de aanvullende hoeken die beschikbaar zijn. Klik op New om nieuwe hoeken toe te voegen. Klik op Delete om bestaande hoeken te verwijderen. (Systeemvariabele POLARADDANG)

New
Hiermee voegt u maximaal 10 extra uitlijningshoeken voor polaire tracking toe.
OpmerkingVoordat u breukhoeken toevoegt, moet u de systeemvariabele AUPREC instellen op de juiste decimale precisie om ongewenst afronden te voorkomen. Als de waarde voor AUPREC bijvoorbeeld 0 is (de standaardwaarde), worden alle ingevoerde breukhoeken afgerond naar het eerste hele getal.

Delete
Hiermee verwijdert u de geselecteerde extra hoeken.

Object Snap Tracking Settings
Hier stelt u de opties in voor tracking met objectmagneten.

Track Orthogonally Only
Als u deze optie selecteert, worden voor de verkregen objectmagneetpunten alleen orthogonale (horizontaal/verticaal) paden voor tracking met objectmagneten weergegeven wanneer tracking met objectmagneten is ingeschakeld. (Systeemvariabele POLARMODE)

Track Using All Polar Angle Settings
Hiermee past u instellingen voor polaire tracking op tracking met objectmagneten toe. Wanneer u tracking met objectmagneten gebruikt, trackt de cursor langs polaire uitlijningshoeken van objectmagneetpunten. (Systeemvariabele POLARMODE)

Opmerking
U kunt polaire tracking en tracking met objectmagneten ook in- of uitschakelen door op Polar of Otrack op de statusbalk te klikken.

Polar Angle Measurement
Hiermee stelt u de basis in die wordt gebruikt voor het bepalen van de uitlijningshoeken voor polaire tracking.

Absolute
Hiermee geeft u aan dat de hoeken voor polaire tracking moeten worden gebaseerd op het actieve gebruikerscoördinatenstelsel (UCS).

Relative to Last Segment
Hiermee geeft u aan dat de hoeken voor polaire tracking moeten worden gebaseerd op het laatste segment dat is getekend.

Tabblad Object Snap (dialoogvenster Drafting Settings)
Hiermee bepaalt u de instellingen voor objectmagneten. Met actieve objectmagneetinstellingen, ook wel Osnap genoemd, kunt u een magneetpunt opgeven op een exacte locatie op een object. Wanneer u meerdere opties geselecteerd hebt, worden de geselecteerde magneetmodi toegepast om het punt dat het dichtste bij het midden van het magneetvakje ligt, te verkrijgen. Druk op TAB om de opties te doorlopen.

Object Snap On
Hiermee schakelt u objectmagneten in- en uit. Hiermee schakelt u objectmagneten in en uit. De objectmagneten onder Object Snap Modes zijn actief zolang de objectmagneetmodus is ingeschakeld. (systeemvariabele OSMODE)

Object Snap Tracking On
Hiermee schakelt u tracking met objectmagneten in- en uit. Bij tracking met objectmagneten kan de cursor zich langs uitlijningspaden bewegen die zijn gebaseerd op andere objectmagneetpunten wanneer u punten opgeeft in een opdracht. Als u tracking met objectmagneten wilt gebruiken, moet u een of meer objectmagneten inschakelen. (systeemvariabele AUTOSNAP)

Object Snap Modes
Hier ziet u objectmagneten die u als actieve objectmagneten kunt inschakelen.

Endpoint
Hiermee hecht u een punt aan het dichtstbijzijnde eindpunt van een boog, ellipsvormige boog, lijn, multilijn, polylijnsegment of straal of aan de dichtstbijzijnde hoek van een plaatsbepaling, volume of 3d-vlak.



Midpoint
Hiermee hecht u een punt aan het midden van een boog, ellips, ellipsvormige boog, lijn, multilijn, polylijnsegment, 2D-entiteit, volume, spline of xlijn.



Gecentreerd
Hiermee hecht u een punt aan het middelpunt van een boog, cirkel, ellips of ellipische boog.



Node
Hiermee hecht u een punt aan een puntobject, bematingsdefinitiepunt of de oorsprong van een bematingstekst.



Quadrant
Hiermee hecht u een punt aan een kwadrantpunt van een boog, cirkel, ellips of elliptische boog.



Intersection
Hiermee hecht u een punt aan het snijpunt van een boog, cirkel, ellips, ellipsvormige boog, lijn, multilijn, polylijn, straal, 2D-entiteit, spline of xlijn. Extended Intersection kan niet als actieve objectmagneet ingeschakeld worden.

Opmerking
Als de objectmagneten Intersection en Apparent Intersection beiden zijn ingeschakeld, kunt u wisselende resultaten krijgen.

Intersection en Extended Intersection werken niet met randen of hoeken van 3D-volumen.

Extension
Hiermee kunt u een tijdelijke extensielijn of boog laten verschijnen wanneer u met de cursor over de eindpunten van objecten gaat, zodat u punten op de extensie kunt specificeren.
OpmerkingWanneer u in perspectiefaanzicht werkt, kunt u niet langs de extensielijn van een boog of elliptische boog tracken.

Insertion
Hiermee hecht u een punt aan het invoegpunt van een attribuut, blok, vorm of tekst.

Perpendicular
Hiermee hecht u een punt aan een punt loodrecht op een boog, cirkel, ellips, ellipsvormige boog, lijn, multilijn, polylijn, straal, 2D-entiteit, volume, spline of xlijn.

Wanneer er voor het object dat u tekent meer dan één loodlijnmagneetpunt nodig is, wordt de magneetmodus Deferred Perpendicular automatisch ingeschakeld. U kunt een lijn, boog, cirkel, polylijn, straal, xlijn, multilijn of 3D-volume gebruiken als object van waar een loodlijn moet worden getekend. Voor het tekenen van loodlijnen tussen dergelijke objecten kunt u Deferred Perpendicular gebruiken. Wanneer u het magneetvakje op een Deferred Perpendicular-magneetpunt plaatst, wordt er AutoSnap-knopinfo en een markering weergegeven.



Tangent
Hiermee springt u naar het raakvlak van een boog, cirkel, ellips, elliptische boog of spline. Wanneer er voor het object dat u tekent meer dan één raaklijnmagneetpunt nodig is, wordt de magneetmodus Deferred Tangent automatisch ingeschakeld. U kunt een Deferred Tangent gebruiken om een lijn of xlijn te tekenen die bogen, polylijnbogen of cirkels raakt. Wanneer u het magneetvakje op een Deferred Tangent-magneetpunt plaatst, wordt er AutoSnap-knopinfo en een markering weergegeven.



OpmerkingWanneer u de optie From samen met de objectmagneet Tangent gebruikt bij het tekenen van objecten die bij een boog of cirkel beginnen, raakt het eerste punt dat u tekent de boog of cirkel ten opzichte van het punt dat u het laatst in het tekengebied hebt geselecteerd.

Nearest
Hiermee hecht u een punt aan het dichtstbijzijnde punt op een boog, cirkel, ellips, ellipsvormige boog, lijn, multilijn, punt, polylijn, straal, spline of xlijn.

Apparent Intersection
Hiermee springt u naar het visuele snijpunt van twee objecten die zich niet op hetzelfde vlak bevinden, maar die elkaar in de actieve weergave lijken te snijden.

Extended Apparent Intersection kan niet als actieve objectmagneet ingeschakeld worden. Apparent en Extended Apparent Intersection werken niet met randen of hoeken van 3D-volumen.
OpmerkingAls de objectmagneten Intersection en Apparent Intersection beiden zijn ingeschakeld, kunt u wisselende resultaten krijgen.

Parallel
Hiermee zorgt u dat een lijnsegment, polylijnsegment, straal of xlijn parallel is met een ander lijnobject. Geef het eerste punt van een lijnobject op en vervolgens de parallelle objectmagneet. In tegenstelling tot de werkwijze in andere objectmagneetmodi moet u de cursor verplaatsen en een ander lijnobject aanwijzen tot de hoek naar wens is. Vervolgens verplaatst u de cursor terug naar het object dat u maakt. Wanneer het pad van het object dat u maakt, parallel loopt met het vorige lijnobject, wordt een uitlijningspad weergegeven waarmee u het parallelle object kunt maken.
OpmerkingSchakel de Ortho-modus uit voordat u de parallelle objectmagneet gebruikt. Object Snap Tracking en PolarSnap worden automatisch uitgeschakeld tijdens een bewerking met een parallelle objectmagneet. U moet het eerste punt van een lijnobject opgeven voordat u de parallelle objectmagneet gebruikt.

Select All
Hiermee schakelt u alle objectmagneten in.

Clear All
Hiermee schakelt u alle objectmagneten uit.

Tabblad 3D Object Snap (dialoogvenster Drafting Settings)
Hiermee bepaalt u de objectmagneetinstellingen voor 3D-objecten. Met actieve objectmagneetinstellingen, ook wel Osnap genoemd, kunt u een magneetpunt opgeven op een exacte locatie op een object. Wanneer u meerdere opties geselecteerd hebt, worden de geselecteerde magneetmodi toegepast om het punt dat het dichtste bij het midden van het magneetvakje ligt, te verkrijgen. Druk op TAB om de opties te doorlopen.



3D Object Snap On
Hiermee schakelt u 3D-objectmagneten in- en uit. De 3D-objectmagneten onder 3D Object Snap Modes zijn actief zolang de objectmagneetmodus is ingeschakeld. (systeemvariabele 3DOSMODE)

3D Object Snap Modes
Hiermee worden de magneetmodi voor 3D-objecten weergegeven.

Vertex
Springt naar het dichtstbijzijnde hoekpunt of 3D-object.



Midpoint on Edge
Springt naar het middelpunt op de rand van een vlak.



Center of Face
Springt naar het midden van een vlak.



Knot
Springt naar een knoop op een spline.



Loodrecht
Springt naar een punt loodrecht op een vlak.




Nearest to Face
Springt naar het punt dat zich het dichtst bij een 3D-objectvlak bevindt.




Select All
Hiermee schakelt u alle magneetmodi voor 3D-objecten in.

Clear All
Hiermee schakelt u alle magneetmodi voor 3D-objecten uit.

Tabblad Dynamic Input (dialoogvenster Drafting Settings)
Hier regelt u de aanwijzerinvoer, bematingsinvoer, dynamische prompts en de weergave van knopinfo voor ontwerpen.

Enable Pointer Input
Hiermee kunt u aanwijzerinvoer inschakelen. Wanneer aanwijzer- en bematingsinvoer beide ingeschakeld zijn, gaat bematingsinvoer boven aanwijzerinvoer wanneer dit ingeschakeld is. (systeemvariabele DYNMODE)

Pointer Input
Hiermee toont u de kruiscursor als coördinaatwaarden in knopinfo vlakbij de cursor. Wanneer een opdracht u om een punt vraagt, kunt u coördinaatwaarden in de knopinfo invoeren in plaats van in het opdrachtvenster.

Preview Area
Hier ziet u een voorbeeld van aanwijzerinvoer.

Settings
Hiermee geeft u het dialoogvenster Pointer Input Settings weer.

Enable Dimension Input
Hiermee kunt u bematingsinvoer inschakelen. Bematingsinvoer is niet beschikbaar voor enkele opdrachten die om een tweede punt vragen. (systeemvariabele DYNMODE)

Dimension Input
Hiermee wordt een bemating weergegeven met knopinfo voor afstands- en hoekwaarde wanneer een opdracht u om een tweede punt of afstand vraagt. De waarden in de bematingsknopinfo veranderen terwijl u de cursor verplaatst. U kunt waarden in de knopinfo invoeren in plaats van op de opdrachtregel.

Preview Area
Hier ziet u een voorbeeld van bematingsinvoer.

Settings
Hiermee geeft u het dialoogvenster Dimension Input Settings weer.

Dynamic Prompts
Hiermee verschijnen er prompts in knopinfo vlakbij de cursor, wanneer dat nodig is om de opdracht te voltooien. U kunt waarden in de knopinfo invoeren in plaats van op de opdrachtregel.

Preview Area
Geeft een voorbeeld van dynamische prompts weer.

Show Command Prompting and Command Input near the Crosshairs
Hiermee kunnen prompts in Dynamic Input-knopinfo weergegeven worden. (systeemvariabele DYNPROMPT)

Drafting Tooltip Appearance
Hiermee wordt het dialoogvenster Tooltip Appearance weergegeven.

Tabblad Quick Properties (dialoogvenster Drafting Settings)
Hiermee worden instellingen voor de weergave van het palet Quick Properties opgegeven.

Enable Quick Properties Palette
Afhankelijk van het objecttype kunt u het palet Quick Properties in- of uitschakelen. U kunt het palet Quick Properties ook in- of uitschakelen door Quick Properties op de statusbalk aan te klikken of door de systeemvariabele QPMODE te gebruiken.

Palette Display
Hiermee worden de weergave-instellingen voor het palet Quick Properties ingesteld. Zie Customize Quick Properties voor meer informatie.

All Objects
Hiermee wordt ingesteld dat het palet Quick Properties voor elke objectselectie moet worden weergegeven.

Only Objects with Specified Properties
Hiermee wordt ingesteld dat het palet Quick Properties alleen moet worden weergegeven voor objecten waarvoor in de CUI-editor (Customize User Interface) is gedefinieerd dat ze eigenschappen moeten weergeven.

Palette Location
Hiermee wordt de weergavepositie voor het palet Quick Properties ingesteld.

Cursor-Dependent
Hiermee wordt de modus Palette Location op Cursor-dependent ingesteld. Wanneer u een object selecteert, wordt het palet Quick Properties in de modus Cursor-dependent weergegeven op een positie relatief aan de plaats waar u het object geselecteerd hebt. (systeemvariabele QPLOCATION)

Quadrant
Hiermee wordt de relatieve locatie voor weergave van het palet Quick Properties opgegeven. U kunt een van de volgende vier kwadranten selecteren: rechtsboven, linksboven, rechtsonder of linksonder.

Distance in Pixels
Hiermee wordt de afstand ingesteld in pixels wanneer Cursor geselecteerd is onder de Palette Location-modi. U kunt een waarde van 0 t/m 400 opgeven (alleen gehele getallen).

Static
Hiermee wordt de locatiemodus op Static ingesteld. (systeemvariabele QPLOCATION)

Palette Behavior
Hiermee wordt het gedrag van het palet Quick Properties ingesteld.

Collapse Palette Automatically
Hiermee kunt u instellen dat het palet Quick Properties slechts een bepaald aantal eigenschappen weergeeft in de inactieve status.

Minimum Number of Rows
Hiermee stelt u het minimumaantal rijen in die op het palet Quick Properties in de samengevouwen, inactieve status worden weergegeven. U kunt een waarde van 1 t/m 30 opgeven (alleen gehele getallen).

Tabblad Selection Cycling (dialoogvenster Draft Settings)
Met successievelijk selecteren kunt u overlappende objecten selecteren. U kunt de weergave-instellingen van de keuzelijst voor successievelijk selecteren configureren. U kunt het type weergegeven subobjecten (hoekpunten, randen of vlakken) filteren met de systeemvariabele SUBOBJSELECTIONMODE.

Allow Selection Cycling
U kunt deze optie ook instellen met de systeemvariabele SELECTIONCYCLING.

Display Selection Cycling List Box
Hiermee wordt de keuzelijst Selection Cycling weergegeven.

Cursor Dependent
Hiermee wordt de keuzelijst relatief ten opzichte van de cursor verplaatst.

Quadrant
Hiermee geeft u aan in welk kwadrant van de cursor de keuzelijst geplaatst wordt.

Distance in Pixels
Hiermee geeft u de afstand tussen de cursor en de keuzelijst aan.

Static
De keuzelijst beweegt niet met de cursor mee en blijft op dezelfde plek. U wijzigt de positie van de keuzelijst via klikken en slepen.

Show Title Bar
Als u ruimte op het scherm vrij wilt maken, kunt u de titelbalk uitschakelen.

SketchUp Pro - Stunt aanbieding