Heeft u een AutoCAD vraag?

Voordat je een vraag plaatst altijd eerst even de zoek functie gebruiken!

Ga naar het onderwerp en stel uw vraag onderaan de pagina.

Hiermee wordt een attribuutdefinitie gemaakt om gegevens in een blok op te slaan.

Oproepmethoden

ATTDEFKnop


ac.mouseLint: tabblad Insert > paneel Attributes > Define Attributes
ac.mouseMenu: Draw > Block > Define Attributes

Overzicht

Het dialoogvenster Attribute Definition verschijnt.

Als u -attdefachter de opdrachtprompt typt, worden er opties weergegeven.

Een attribuut is een object dat met een blokdefinitie wordt gemaakt en erin is opgenomen. In attributen kunnen gegevens zoals onderdeelnummers en productnamen worden opgeslagen.

Het dialoogvenster Attribute Definition

Hiermee definieert u de modus, aanduiding, prompt, waarde, invoegpositie en tekstinstellingen van een attribuut.

dialoogvenster Attribute Definition

-ATTDEF

Lijst met prompts

De volgende prompts worden weergegeven.

Current attribute modes: Invisible=actieve instelling Constant=actieve instelling Verify=actieve instelling Preset=actieve instelling Lock position=actieve instelling Annotative =actieve instelling Multiple line =actieve instelling

Enter an option to change [Invisible/Constant/Verify/Preset/Lock position/Annotative/Multiple lines] :

Enter attribute tag name: voer willekeurige tekens in, behalve spaties of uitroeptekens

Enter attribute value: Voer de toepasselijke tekst in of druk op ENTER (deze prompt wordt alleen weergegeven als u de modus Constant ingeschakeld hebt)

Enter attribute prompt: Voer de tekst in voor de opdrachtregel of druk op ENTER (deze prompt wordt niet weergegeven als u de modus Constant ingeschakeld hebt)

Enter default attribute value: Voer de toepasselijke tekst in of druk op ENTER (deze prompt wordt niet weegegeven als u de modus Constant ingeschakeld hebt)

Specify location of multiline attribute: Geef een punt op (deze prompt wordt alleen weergegeven als u de modus Multiple Lines hebt ingeschakeld)

Specify opposite corner: Geef een punt op of voer een optie in (deze prompt wordt alleen weergegeven als u de modus Multiple Lines hebt ingeschakeld)

Attribuutmodi
De huidige waarderegel geeft de huidige instelling van elke attribuutmodus aan (Y voor aan of N voor uit). Wanneer u i, c, v, p, l, a of m invoert, worden de modi in- of uitgeschakeld. Druk op ENTER als u de modusinstellingen hebt aangepast. De instellingen van de actieve modus zijn opgeslagen in de systeemvariabele AFLAGS. Met deze variabele kunt u de standaardmodi instellen.

Invisible
Hiermee geeft u aan dat er attribuutwaarden moeten worden weergegeven wanneer u het blok invoegt. Met ATTDISP wordt de modus Invisible overschreven.

Constant
Hiermee geeft u attributen een vaste waarde bij het invoegen van blokken.

Verify
Hiermee moet u bevestigen dat de attribuutwaarde juist is wanneer u het blok invoegt.

Preset
Hiermee stelt u het attribuut in op de standaardwaarde wanneer u een blok invoegt dat een vooraf ingesteld attribuut bevat.

Lock Position
Hiermee wordt de locatie van het attribuut binnen de blokreferentie vergrendeld. Als de locatie niet vergrendeld is, kan het attribuut door middel van grip-bewerkingen worden verplaatst ten opzichte van de rest van het blok en kan het formaat van alinea-attributen worden gewijzigd.
Opmerking
In een dynamisch blok moet de positie van een attribuut vergrendeld zijn om het in de selectiegroep van een bewerking te kunnen opnemen.

Annotative
Hiermee geeft u op dat het attribuut annotatief is.

Multiple Lines
Hiermee wordt aangegeven dat de attribuutwaarde meerdere tekstregels kan bevatten. Wanneer deze optie is geselecteerd, kunt u Boundary Width voor het attribuut instellen.

Attribute Tag Name
Hiermee geeft u de attribuutaanduiding op. Hierin wordt aangegeven op welke plaatsen in de tekening het attribuut voorkomt. De aanduiding kan elk teken bevatten, behalve spaties of uitroeptekens (!) Kleine letters worden automatisch omgezet in hoofdletters.

Attribute Prompt
Hiermee definieert u de prompt die wordt weergegeven wanneer u een blok met deze attribuutdefinitie invoegt. Als u op ENTER drukt, wordt de attribuutaanduiding als de prompt gebruikt. Als u de modus Constant inschakelt, wordt deze prompt niet weergegeven.
Opmerking
Voor regelattributen kunt u maximaal 256 tekens invoeren. Als de prompt moet beginnen met een of meer spaties of met de standaardwaarde, typt u eerst een backslash (\). Als het eerste teken een backslash moet zijn, begint u de prompt met twee backslashes.

Default Attribute Value
Hiermee definieert u de standaardwaarde van het attribuut. De standaardwaarde wordt weergegeven als u een blok invoegt in de tekening. Een standaardwaarde is niet vereist. Als u de modus Constant inschakelt, wordt de prompt Attribute Value weergegeven.

Wanneer de modus Multiple Lines uitgeschakeld is, worden met ATTDEF vervolgens dezelfde prompts weergegeven als met de opdracht TEXT. Alleen wordt nu de attribuutaanduiding gebruikt en wordt niet om een tekenreeks gevraagd.

Current text style: "Standard" Text height: 0.2000

Specify start point of text or [Justify / Style]: Voer een optie in of druk op ENTER

Specify paper text height : geef een hoogte op of druk op ENTER

De prompt Specify Paper Text Height wordt alleen weergegeven als de actieve tekststijl annotatief is.

Zie TEXT voor informatie over de verschillende opties.
Opmerking
Voor regelattributen kunt u maximaal 256 tekens invoeren. Als de prompt moet beginnen met een of meer spaties of met de standaardwaarde, typt u eerst een backslash (\). Als het eerste teken een backslash moet zijn, begint u de prompt met twee backslashes.

Wanneer de modus Multiple Lines ingeschakeld is, worden met ATTDEF vervolgens verschillende prompts weergegeven die door de opdracht MTEXT worden gebruikt. Zie MTEXT voor informatie over de verschillende opties.

Attribute Value (Constant Mode)
Hiermee wordt de waarde voor een constant attribuut ingesteld. Deze prompt wordt alleen weergegeven als u de modus Constant inschakelt.

Met ATTDEF worden vervolgens dezelfde prompts weergegeven als met de opdracht TEXT, alleen wordt nu de attribuutaanduiding gebruikt en wordt niet om een tekenreeks gevraagd. Zie TEXT voor informatie over de verschillende opties.

Wanneer de modus Multiple Lines ingeschakeld is, worden met ATTDEF vervolgens verschillende prompts weergegeven die door de opdracht MTEXT worden gebruikt. Zie MTEXT voor informatie over de verschillende opties.

Location of Multiline Attribute (Multiple Line Mode)
Hiermee definieert u de eerste hoek van het kader voor de alineatekst. Deze locatie wordt als het beginpunt voor het attribuut gebruikt.

Opposite Corner (Multiple Line Mode)
Terwijl u de aanwijzer sleept om de tegenovergestelde hoek te bepalen, wordt een rechthoek weergegeven ter aanduiding van de locatie en breedte van de alineatekst. De pijl in de rechthoek geeft aan in welke richting de tekst loopt.

 

SketchUp Pro - Stunt aanbieding